Wetenschap is wel zelfreinigend

Het idee dat “zelfreinigende wetenschap een mythe is” (NRC Handelsblad, 20 september) is volkomen absurd. Als dat zo is, dan vervalt het onderscheid tussen wetenschap en poëzie.

Het zelfreinigend vermogen, of zelfcorrigerend vermogen, van wetenschap heeft niets te maken met het ogenblikkelijk herkennen van listige fraude. Waar het om gaat is dat wetenschap voortdurend aan verandering onderhevig is. Zoals Max Weber reeds stelde in 1917: alle wetenschap heeft tot doel vervangen te worden door nieuwe wetenschap. Oudere inzichten die minder kunnen verklaren, of onvolkomen blijken, worden vervangen door nieuwe. Dat maakt dat wij nu in de geneeskunde mensen kunnen genezen die we 50 jaar geleden niet konden genezen.

Wetenschap maakt vooruitgang. Dat gebeurt door verder te bouwen op nieuwe ideeën. Als het niet lukt om op een nieuw idee verder te bouwen, dan verdwijnt het – vaak stilletjes. Wetenschappers horen van elkaar, bij werkbesprekingen of congressen, dat een bepaald idee eigenlijk nergens toe leidt, en men gaat over op het volgende idee dat interessanter lijkt. Sommige ideeën leiden nooit tot noemenswaardige pogingen om er op verder te bouwen. Die geraken, terecht of niet, uit zichzelf in de vergetelheid.

Alleen de ideeën waarop vruchtbaar wordt verder gebouwd overleven – maar ook steeds tijdelijk. Daarbij hoeft het onderzoek waarop deze werkzame ideeën stoelen niet volmaakt te zijn om erop verder te kunnen bouwen; op elk wetenschappelijk onderzoek valt wel wat aan te merken.

In poëzie staat een gedicht van Sappho naast een gedicht van Lucebert. Het ene is op zich niet meer waard dan het andere, en het is zeker niet zo dat het recentere gedicht het oudere vervangt omdat het oudere gedachtegoed besloten ligt in het nieuwe. Wel kan de populariteit van gedichten of schrijvers, en de interpretatie van hun werk, wisselen in de loop van de geschiedenis – iets wat op zich een interessant onderwerp is voor wetenschappelijk onderzoek.

Het onderzoek waaruit zou blijken dat het zelfreinigende vermogen niet werkt, zou gaan om de (vermoedelijke tweedehandse) beschrijving van een veertigtal beruchte gevallen van fraude, die niet door ‘peer review’ werden opgepikt. Zeker, maar dat zou wel eens een cirkelredenering kunnen zijn: deze gevallen werden juist bijzonder omdat het heel lang duurde vooraleer iemand het door had. ‘Peer review’ is een ogenblikkelijk mechanisme, en berust op het oordeel van slechts enkele personen, en is dus zeker feilbaar. Daarbij zijn deze veertig gevallen minder dan een druppel in de zee van tientallen miljoenen wetenschappelijke publicaties. Uiteraard zouden ‘peer reviewers’ af en toe wat alerter kunnen zijn, ook los van fraude, maar dat is een andere discussie. ‘Peer review’ is slechts een klein onderdeel van het wetenschappelijke proces waarin wetenschappers elkaars werk gebruiken, er op voortbouwen, of terzijde leggen.

Het zelfreinigende of zelfcorrigerende vermogen van wetenschap gaat niet in de eerste plaats over het onmiddellijke oppikken van listige fraude, maar wel over de langere termijn, waar dwaalwegen (een hele groep wetenschappers kan een tijdje in een doodlopend straatje verdwalen) uiteindelijk opbotsen tegen de werkelijkheid en ophouden te bestaan. Nieuwe inzichten bewijzen zichzelf omdat je er de werkelijkheid mee kunt veranderen: mensen genezen bijvoorbeeld. Eigenlijk is dit een soort evolutionair proces: er zijn heel veel mutaties (= nieuwe ideeën), waarvan slechts enkele overleven.

Akademiehoogleraar Jan Vandenbroucke was lid van de Commissie Onderzoeksgegevens van de (‘commissie-Schuyt’). Verschillende gedachten uit bovenstaande zijn terug te vinden in het vorige week gepubliceerde rapport van deze commissie (‘Zorgvuldig en integer omgaan met wetenschappelijke onderzoeksgegevens’, ). De hier uitgedrukte visie is uitsluitend van de auteur.