Isaac Newton zou nu bij NWO afgaan

Wetenschappers staan onder hoge druk om te publiceren. Onderzoek moet bovendien bij voorkeur economische waarde hebben. In deze competitie is er te weinig ruimte voor briljante, eigengereide academici die in alle rust hun ideeën willen uitbroeden, betogen

Margriet van der Heijden en Floris Cohen.

Illustratie Rik van Schagen, gebaseeerd op de derde druk van Newtons Philosophiae Naturalis Principia Mathematica

‘Kunt u duidelijk maken hoe uw beoogde project past in de internationale discussie?”

Commissievoorzitter Wenckebach moet zich bedwingen om niet met zijn vingers op tafel te roffelen. Hij voelt de drie commissieleden naast zich ongeduldig worden. Vlasman schuift heen en weer op zijn stoel. Spanjer bestudeert het plafond. Er staan vandaag nog heel wat meer gesprekken op het programma, maar de jongeman tegenover hen lijkt zich daar niet van bewust.

„Uw vraag verbaast me”, zegt hij, terwijl hij kalm zijn hemd verschikt.

Wenckebach haalt adem. „Meneer Newton”, herneemt hij zich dan, „deze vraag stellen we aan iedereen die voor een onderzoeksproject subsidie aanvraagt. Uiteraard, want de spoeling is dun en internationale samenwerking vormt een zeer belangrijk criterium bij de selectie.”

Isaac Newton knippert niet eens met zijn ogen. Zeker, meneer de voorzitter, zegt hij effen. „Maar ik had van de commissieleden toch wel zo veel deskundigheid verwacht dat u zelf al tot het besef was gekomen dat de vraag in dit geval volstrekt overbodig is.”

U bedoelt, vraagt Wenckebach. Hij roffelt onwillekeurig toch even op tafel.

„Die hele internationale discussie deugt natuurlijk totaal niet”, zegt Newton. „Wie zich er ook maar even in verdiept, ziet dat het internationale discours nog altijd uitgaat van Descartes’ hopeloos onwiskundige, zwaar achterhaalde denkbeelden...”

Nee, zo is het nooit gegaan. In de tijd dat Newton grondslagen voor de moderne natuurwetenschap legde, waren er geen subsidieverstrekkers zoals nu de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, (NWO).

Er waren evenmin beoordelingscommissies, formulieren in zevenvoud en tellingen van wetenschappelijke publicaties en citaties. Er was geen internet en er waren al helemaal geen computerservers met online-archieven waarin geleerden elke ochtend na het ontbijt – of zelfs daarvoor – in verse preprints konden lezen wat hun collega’s elders nu weer hadden bedacht en gedaan.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw lazen geleerden als Christiaan Huygens, Robert Hooke en Newton over elkaars werk in het maandtijdschrift Philosophical Transactions van de Royal Society, het geleerdengenootschap in Londen. Wetenschappers hielden levendige discussies in koffiehuizen en salons. Verder verliep hun communicatie via brieven die soms weken onderweg waren, via incidentele reizen te paard of in een koets. Voor hun inkomsten waren ze afhankelijk van familiekapitaal of van de gunst van een vorst of een andere mecenas.

Dit maakt het niet minder interessant om te kijken wat een geniale, maar ook eigengereide, botte en van zijn superioriteit overtuigde perfectionist als Newton zou hebben bereikt als hij zich had moeten onderwerpen aan de spelregels van het moderne wetenschapsbedrijf – als hij al in de wetenschap zou zijn beland.

Stel je voor. Newton had subsidie moeten aanvragen voor het uitwerken van zijn omgekeerde kwadratenwet, bij een commissie die aanvragen van jong aanstormend talent beoordeelt – zoals de tegenwoordige Venisubsidies van NWO. Dan had Newton het ongetwijfeld meteen verbruid.

Zie, daar staat hij. Hij beweert, met veel aplomb: „Voor elke planeet neemt de neiging om uit zijn baan te vliegen af met het kwadraat van zijn afstand tot de zon.” Het is zijn voorlopige slotsom uit een berekening die is begonnen met een flits van inzicht: dat de maan naar de aarde toe valt, net als een appel.

De commissieleden herkennen de kracht van die wiskundige regelmaat en de diepte van dat inzicht niet. Hun beoordeling achteraf neemt al snel een ongunstige wending. Wat een zelfingenomen kwast, neemt eerst Spanjer het woord. Er is toch niemand die serieus denkt dat de maan naar de aarde toe valt, valt Vlasman bij. Volgens onze referenten Hooke en Huygens is dat bizarre idee nimmer door enig ander wetenschapper ter sprake gebracht, noch sluit het bij eerder gedachtegoed aan, weet commissievoorzitter Wenckebach.

Daar komt nog bij, zegt commissielid Haegersma lichtelijk vermoeid, „dat de heer Newton geweigerd heeft in onze formulieren de valorisatieparagrafen in te vullen. We hebben dus feitelijk te maken met een absurd idee waar ook nog eens geen enkele toepassing voor valt te bedenken”.

Nogmaals, in werkelijkheid is het zo niet gegaan. Barrow en een andere mecenas hielpen de jonge Newton met zijn universitaire loopbaan. Zo kon hij in Cambridge in alle rust de ideeën uit zijn ‘wonderjaren’ 1665-1667 uitwerken. Die wonderjaren hadden hem drie formidabele doorbraken opgeleverd: de differentiaal- en integraalrekening, de kleurschifting (het besef dat wit licht eigenlijk een mengsel is van alle kleuren tussen violet en dieprood) en een aanloop naar zijn latere gravitatiewet. Hierop had hij alvast een voorschot genomen door de val van een appel in verband te brengen met de baan van de maan.

Het kwam intussen niet in Newton op om hier publicaties van te maken. Het waren nog maar aanzetten, hooguit halverwege de perfectie die hij nastreefde. Newton was geobsedeerd door een ideaal van waarheidsvinding en strenge wetenschap, zegt Newtons biograaf Richard S. Westfall. Maar gelukkig: „Hij was een jongeman, hij had de tijd erover na te denken, zoals zaken van groot gewicht dat vereisen.”

Alleen: wat als de regels van de hedendaagse wetenschap waren toegepast? Naar die maatstaven kan een onderzoeker, hoe geniaal ook, het zich beslist niet permitteren om jarenlang niets te publiceren en niet geciteerd te worden.

Toen Newton zeven jaar later, in 1672, zijn nieuwe theorie over kleuren in de Philosophical Transactions publiceerde, leverde hem dit precies zes citaties op – zes reacties van drie Luikse Jezuïetenpaters die zijn theorie niet goed begrepen of zijn experimenten niet wisten te repliceren. En al hadden ze dertig brieven geschreven, dan nog zou deze ene tijdschriftpublicatie Newtons H-index – de meest gebruikte maat om publicaties en citaties te wegen – slechts hebben opgeschroefd tot één.

De reactie van een benoemingscommissie voor een hoogleraarspost is, alweer, niet moeilijk voor te stellen. „U heeft, met uw H-index van één, het lef om te solliciteren naar een post die minimaal een H-index van 19 vereist? U bent er nimmer in geslaagd co-auteur te worden op belangrijke publicaties van buitenlandse collega’s? Het is u niet gelukt om een groep met hardwerkende, veel schrijvende junioronderzoekers om u heen te verzamelen?”

Nee, de vergelijking is niet helemaal eerlijk. Newton was niet totaal wereldvreemd. Zijn artikel over licht en kleur stelde hij heel verstandig op volgens het Baconiaanse model dat toen in de mode was. Onder andere omstandigheden zou hij zijn ideeën dus allicht ook direct naar tijdschriften hebben gestuurd om zijn H-index op te krikken, maar wel met pijn in het hart. Dat kan niet anders bij iemand die uit onvrede met kleine details zijn eigen verhandelingen-voor-privé-gebruik vaak tot wel tien keer opnieuw uitschreef, en die de publicatie van zijn Opticks dertig jaar uitstelde.

En hij had nog meer kunnen doen. Met zijn Principia Mathematica legde hij in 1687 de grondslag voor de moderne natuurkunde en haar toepassingen. Zijn Opticks uit 1704 vormde het fundament voor alle inzichten in licht en kleur. Had hij deze twee dikke boeken niet kunnen opknippen in een paar honderd artikelen? Helemaal volgens de veelgebruikte, moderne publicatietechniek van salamiplakjes snijden? Zijn H-index zou met sprongen zijn gestegen en zijn academische status op de valreep toch nog gered – volgens de spelregels van nu.

Ja, mits Newton bereid geweest was om die uitgerijpte werken – waarin hij compleet nieuwe zienswijzen voorstelde en waar de diepe innerlijke samenhang juist de kracht van uitmaakt – zo platvloers in partjes te hakken. Mits zijn creativiteit niet vermorzeld was onder publicatiedwang, competitiedruk en – nog niet genoemd – alle aansporingen om zijn werk te populariseren. Newton zou gegruwd hebben bij de gedachte dat hij lekenpraatjes zou moeten houden in een sjofel zaaltje.

Stel, tot slot, dat we niet de regels naar een andere tijd overbrengen, maar Newton zelf. De oude Newton, nog altijd humeurig, maar voldaan over zijn werken.

Het is 18 augustus 2012, tegen kwart voor twee ’s middags. Zie hem lopen met zijn herenpruik, zijn zwarte mantel en zijn witte sjaal, in de hitte van het Lowlandspopfestival in Biddinghuizen, op zoek naar de feesttent waar hoogleraren als rocksterren hun onderzoek uit de doeken doen, gesponsord door NWO.

Kijk, daar staat een bordje. Laten we hopen dat Newton het niet kan lezen. „Hee jij daar, met je geschaafde knieën, en je loodzware bagage! Loop ff binnen bij het LL Uni-college. Dit ga je interessant vinden. Zwaartekracht naar beneden halen is namelijk appeltje-eitje voor deze professor! Zonder blikken of blozen laat hij de wetenschap op zijn grondvesten schudden als hij Newton en Einstein tegenspreekt en beweert dat zwaartekracht geen fundamentele kracht is.”

Verdwaasd loopt de verdwaalde Newton uiteindelijk een persvoorlichter van NWO tegen het lijf. „Ik adviseer u, meneer Newton, om uw onvrede over de situatie te twitteren”, zegt deze. „Ik roep eigenlijk al onze wetenschappers op om tweets de wereld in te sturen. Dat genereert aandacht voor de wetenschap. En voor uw eigen werk uiteraard.”

De laatste tijd is er veel gepraat over de spelregels van de moderne wetenschap en hoe die de slordige omgang met gegevens in de hand zouden werken. Maar er is nog een andere vraag.

Geven de spelregels niet erg veel ruimte aan onderzoekers die mondig zijn, handig, en die zo veel mogelijk artikelen uit soms minieme resultaten proberen te persen? Blijft er zo niet wat weinig ruimte over voor een moderne Newton: geniaal en lastig in de omgang, niet bereid zijn werk op te dienen in hapklare brokken en te arrogant om het goed te populariseren?

Dit zou jammer zijn – niet alleen omdat diepe nieuwe inzichten zo onnodig vertraging oplopen, maar ook omdat juist deze hardnekkige waarheidszoekers, hoe onmogelijk verder misschien ook, toonbeelden zijn van wetenschappelijke integriteit. De vele Wenckebachs hebben we natuurlijk nodig, maar de enkele Newtons onder ons kunnen we slecht missen.

Margriet van der Heijden is wetenschapsredacteur van NRC Handelsblad. Floris Cohen is wetenschapshistoricus en auteur van het boek Isaac Newton en het ware weten.