Wij zijn Afrikanen, al lang geen Hollanders meer

Fred de Vries: Afrikaners. Een volk op drift. Nijgh & Van Ditmar, 288 blz. € 19,95

Ze noemden zich tijdens de apartheid ‘Europeanen’. Maar Afrikaners, de blanke nazaten van Europese kolonisten in Zuid-Afrika, zijn Afrikaanser dan ze zelf beseffen, schrijft de in Zuid-Afrika wonende Nederlandse journalist Fred de Vries aan het slot van zijn boek over de dolende blanke stam van de regenboognatie. Zoals de zwarte elite in het nieuwe Zuid-Afrika nu onder het mom van positieve discriminatie en black empowerment de eigen groep voortrekt, zo werkten Afrikaners tussen 1948 en 1994 na de traumatische Boerenoorlogen aan hun eigen emancipatie. Oppermachtig waren ze. Totdat F.W. de Klerk, de laatste blanke president, de Afrikaners in de uitverkoop deed. Veel van De Vries’ gesprekspartners geven de Nobelprijswinnaar de schuld van de nederige positie waarin het volk nu verkeert. De Klerk zelf zegt dat hij geen keuze had: het was anarchie of een deal met het ANC, dat in ieder geval de bezittingen van de blanke minderheid onaangetast liet.

Het is eigenlijk ‘een wonder’, schrijft De Vries ‘dat de door de blanken zo gevreesde nacht van de grote, zwarte wraak in Zuid-Afrika is uitgebleven’. Maar de status quo wordt nu bedreigd door onruststokers als voormalig ANC-politicus Julius Malema, die hun de schuld geeft van de voortdurende ongelijkheid.

De Vries probeert de ‘klap van 1994’, zoals hij de omwenteling noemt, te doorgronden en treft een volk zonder echte leiders dat met moeite in het nieuwe Zuid-Afrika een modus operandi probeert te vinden. Hij gaat langs bij Afrikaner toogdagen, bezoekt Afrikaner monumenten en duikt in een obscure tegencultuur van begin jaren negentig die zelfs de meeste Zuid-Afrikanen tot op de dag van vandaag totaal onbekend is. Aan de hand van ontmoetingen met politici, kunstenaars, dominees en koopmannen probeert hij te begrijpen wat het Afrikaner volk bindt.

Dat blijken de taal en het soms nog steeds tot mythische proporties verheven verleden. De ‘Slag bij Bloedrivier’, waar in de 19de eeuw Voortrekkers een Zulu-overmacht in de pan hakten en zich het ‘uitverkoren volk’ gingen voelen, duikt steeds weer op. En ‘altijd maar weer die verrekte Boerenoorlog’, schrijft De Vries over de strijd tussen Boer en Brit die het Afrikaner volk vormde in een tijd dat het nog niet met een politiek systeem van geïnstitutionaliseerd racisme in verband werd gebracht.

‘Wij willen bij het nieuwe Zuid-Afrika horen,maar we willen daar onze identiteit niet voor opofferen’, zegt de activistische zanger Steve Hofmeyr. Die identiteit lijkt onlosmakelijk verbonden met de grond van het land en met een taal die nergens anders in de wereld wordt gesproken. De naar Australië uitgeweken Zuid-Afrikanen die De Vries in Perth en Melbourne opzoekt blijven in hart en nieren Afrikaners.

Is er plek voor blanken in Zuid-Afrika? Dat is de ‘hamvraag’, belooft de achterflap van een geslaagd boek vol rake observaties. Uiteindelijk hebben de meeste Afrikaners geen keus, concludeert De Vries. Ze hebben Zuid-Afrikaanse paspoorten en zijn vele generaties in het land. ‘Wij zijn Afrikanen, al lang geen Hollanders meer’, zegt de Afrikaner politicus Pieter Mulder. Het helpt vandaag alleen niet erg dat ze lang het tegendeel hebben beweerd.