Strijd en verzoening om vinyl en nog veel meer drama

Michael Chabon: Telegraph Avenue. Vert. G. Baardman e.a., Anthos, 472 blz. €19,95

Telegraph Avenue bestaat echt, de straat loopt van de campus van de Universiteit van (het overwegend blanke) Berkeley, Californië, in een vrijwel rechte lijn mijlenlang naar de opgekalefaterde havenkant van (het overwegend zwarte) Oakland. De Avenue kan, als een van zijn aantrekkelijkheden, bogen op twee enorme onafhankelijke platenwinkels die luisteren naar de fraaie namen Rasputin en Amoeba, en die, geheel in strijd met de ontwikkelingen in die sector, nog steeds kunnen blijven voortbestaan. Hun geheim is een enorme voorraad tweedehands vinyl, die liefhebbers en verzamelaars uit de wijde omtrek aantrekt.

Ziedaar waar Berkeley-inwoner en schrijver Michael Chabon de inspiratie voor zijn nieuwe boek vandaan haalde. In handen van Chabon wordt dit verhaal, zoals verwacht kon worden door lezers van zijn vorige boeken als De wonderlijke avonturen van Kavalier & Clay en De Jiddische politiebond, een doldwaze, uiterst kleurrijke roman waarin de liefde voor het vinyl maar een van de facetten is.

Chabon situeerde zijn platenwinkel Brokeland Records ergens in het wat vage grensgebied waar beide gemeenten in elkaar overgaan en symboliseerde de doorgaans wat geprikkelde harmonie tussen die twee in de personen van beide eigenaars, de zwarte Archy Stallings en de blanke Nat Jaffe.

De verhouding tussen deze bevriende compagnons wordt op scherp gezet wanneer een bemiddelde en invloedrijke buurtgenoot een megawinkel dreigt te openen die de handel van Stallings en Jaffe serieus zal bedreigen. Maar deze confrontatie is slechts een van de vele draden die Chabon in zijn boek doorheen weet te weven.

Zo drijven hun echtgenotes, respectievelijk Gwen en Aviva, de Berkeley Birth Partners, een bevallingskliniek die onder vuur komt te liggen van de gezondheidsinspectie. De gedroomde raciale harmonie in dit deel van Californië blijkt dan ineens heel erg kwetsbaar te zijn, vooral wanneer Gwen, zelf hoogzwanger, op haar beurt een blanke arts wil aanklagen. Maar bij wijze van tegenwicht verschijnt dan Titus, een verdwenen zoon uit Archy’s verleden, die een gepassioneerde liefdesverhouding begint met de (blanke) zoon van zijn vaders zakenpartner.

Erg druk allemaal, explosief ook, al wordt dat laatste prettig door ironie getemperd. Het boek is doordrenkt van Amerikaanse populaire cultuur, van de geschiedenis van de zwarte muziek, de films van Tarantino, oude auto’s, de Blaxploitation-films uit de jaren zeventig en nog veel meer. Evenals collega-schrijver Jonathan Lethem weet Chabon dit soort elementen organisch in zijn vertelling te integreren, en het tot fanatisme uitschietende enthousiasme van de bewonderaars van deze uitingen soms uiterst geestig vorm te geven.

Dat geldt ook voor de manier waarop de geschiedenis van Oakland een rol speelt, van het ontstaan van een zwarte middenklasse tot aan de gewelddadige Werdegang van de Black Panthers die hier in de jaren zestig hun hoofdkwartier hadden. Zelfs een cameo-rol van de senator uit Illinois, genaamd Barack Obama (we bevinden ons in het jaar 2004), die wel gecharmeerd is van de hoogzwangere Gwen maar afgeleid wordt door de tonen van Stevie Wonders Higher Ground, behoort in een boek als dit tot de mogelijkheden.

Chabon is een wervelende stilist wiens plezier in het schrijven leidt tot hilarische conflicten en gewaagde metaforen. Nikes die wijd uit elkaar staan ‘met de neuzen omhoog als twee beelden op de Paaseilanden,’ een man die snel overeind springt ‘als een openklappende paraplu’, een kostuum waarvan de kleuren doen denken aan ‘een placemat bij een IHOP-restaurant’, gebruinde damesbenen die ‘glanzen als de klankbekers in een blazerssectie’ – stuk voor stuk beelden die wel passen bij de bravourestijl van dit boek.

Maar soms gaat hij te ver. Dan doet zijn lol in het creëren van subplots en in- en uitlopende bijfiguren afbreuk aan de fraaie boog van het verhaal. Tekenend voor zijn lef is een heel hoofdstuk van twaalf pagina’s dat bestaat uit één zin, een kunststukje, maar wel een dat mij iets te veel riekt naar ‘kijk eens wat ik ook kan’.

Toch houdt Chabon het overvolle verhaal op een wonderbaarlijke manier overeind. Tot en met het slot: een seriële verzoening, zij het af en toe een wat wrevelige, tussen de zakenpartners, vaders, zonen en echtgenoten. En zelfs een verzoening met een toekomst van Brokeland Records, in een heel andere vorm.