Chinezen zijn vooral boos op eigen leiding

De protesten in China lijken gericht tegen Japan – maar de eigen leiders jutten het volk op, opdat interne problemen verborgen blijven, stelt Garrie van Pinxteren.

Waar gingen de recente anti-Japandemonstraties in China eigenlijk over? Waren ze vooral een uiting van diepgewortelde anti-Japanse gevoelens en van groeiend nationalisme in China, of moeten we voor de aanleiding kijken naar spanningen en strijd in China zelf, die de anti-Japanse demonstraties wenselijk maakten?

Anti-Japanse gevoelens leven er wel degelijk in China, maar niet meer zozeer omdat veel Chinezen nog bittere herinneringen aan de periode rond de Tweede Wereldoorlog met zich meedragen, of omdat ze van hun ouders of grootouders veel over de oorlog hebben gehoord. Die gevoelens zijn eerder bewust onderdeel gemaakt van het onderwijs aan een jongere generatie Chinezen. Zo wordt nationalisme gestimuleerd, een nationalisme dat deels gebaseerd is op een gevoel van minderwaardigheid en van gekrenktheid.

De redenering luidt dan ongeveer zo: Japan heeft China kunnen vernederen, maar dat zal niet weer gebeuren. China is herrezen. We zijn zo krachtig dat Japan eindelijk naar ons moet luisteren. Japan ligt, net als de Verenigde Staten, altijd op de loer om ons af te nemen wat ons toekomt, maar dat laten we nooit meer gebeuren.

Door deze gevoelens aan te spreken, werpt de overheid de onvrede van de bevolking over bijvoorbeeld de corruptie in eigen land en de groeiende kloof tussen arm en rijk van zich af, en wordt hij omgevormd tot onvrede tegen ‘het buitenland’, in dit geval Japan.

Waarom juist nu? En waarom droegen veel demonstranten identieke portretten van Mao, stichter van de Volksrepubliek China, met zich mee? Sommigen waren net zo gekleed als de fanatiek linkse Rode Gardisten tijdens de Culturele Revolutie in de jaren zestig en zeventig. Dat zagen we niet eerder bij anti-Japanse demonstraties. Wat wilden ze daarmee zeggen?

Het streven naar gelijkheid en maatschappelijke rechtvaardigheid van Mao is recentelijk door een hoge leider van China opnieuw opgerakeld en als voorbeeld geponeerd. Die hoge leider is Bo Xilai, de voormalige partijleider van de stadsprovincie Chongqing. Bo stond op het punt om lid te worden van het Politbureau van het Centraal Comité van de Communistische Partij van China, het centrum van de politieke macht.

Inmiddels is Bo ten val gekomen, formeel omdat zijn vrouw een Brit vermoord zou hebben, maar waarschijnlijk ook omdat Bo zelf te veel uit de pas ging lopen binnen de top van de Partij. Hij voerde als populist campagne voor zichzelf onder de bevolking, een ongekende en onacceptabele actie binnen het gesloten partijsysteem. We weten niet hoeveel steun hij nog heeft onder de bevolking of binnen de partij. Het is niet onmogelijk dat bepaalde krachten de demonstraties proberen te gebruiken om steun te uiten voor Bo zelf of voor zijn populistische ideeën. Dat zou de beeltenissen van Mao verklaren.

De demonstraties zelf lijken eerder bedoeld om de aandacht juist af te leiden van de afhandeling van de zaak-Bo, want op het hoogtepunt van de demonstraties vond er ook een belangrijk en onthullend proces plaats tegen de hoogste veiligheidsman onder Bo, Wang Lijun. Dat trok nauwelijks de aandacht.

Misschien is het ook wel een poging om de positie van deze of gene in de top van de Partij te versterken of juist te verzwakken, zo kort voor het Partijcongres dat dit najaar moet plaatsvinden. Op dat congres moet duidelijk worden hoe de rollen binnen de Partij voor de komende tien jaar verdeeld worden.

Sommigen denken dat president Hu Jintao met de demonstraties wil laten zien dat het niet verstandig zou zijn om hem in deze instabiele tijden met pensioen te sturen. Het zou veiliger zijn om hem voorlopig aan het hoofd te laten van het Centrale Militaire Comité, het belangrijke Partijcomité dat het leger aanstuurt.

Of heeft het iets te maken met de twee weken dat Xi Jinping, de beoogde nieuwe president van China, uit het openbare leven was verdwenen? En welke rol spelen het leger en de politie? Hoe het echt zit, weten we allemaal niet. Daarvoor is wat er binnen de Chinese top gebeurt te geheim.

Met deze demonstraties speelt China in ieder geval met vuur. Niet woede over Japan, maar over allerlei interne problemen vormt de brandstof voor de anti-Japanse agressie die we nu zien. Die woede kan zich vroeg of laat keren tegen de Chinese overheid zelf. Ook kan de Chinese overheid zich verleid voelen om te zwichten voor de druk van burgers en leger, waardoor het zich wellicht geroepen voelt zich nog assertiever op te stellen tegenover het buitenland.

Dan kan verdere agressie tegen Japan, hoe schadelijk ook voor China’s eigen economische ontwikkeling, de enige uitweg lijken om de interne onvrede het hoofd te bieden.

Garrie van Pinxteren is sinoloog, journalist en als senior researcher verbonden aan het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael. Ze werkte tussen 2001 en 2008 als correspondent in China, onder meer voor de NOS en NRC Handelsblad.