Vaste rekenrente wordt speelbal van belangen

Stel er wordt je gevraagd wat voor weer het morgen wordt en er is geen enkele kennis of informatie beschikbaar. Het antwoord dat dan het vaakst juist zal zijn luidt: net als het weer van vandaag.

Op en rond de financiële markten wemelt het van de mensen die het beter denken te weten, onverslaanbare nieuwe modellen hebben, diepe inzichten of een onverklaarbaar talent de toekomst te voorzien. Als ze gelijk hebben dan schreeuwen ze het van de daken („Zoals ik in maart jongstleden al voorzag”). Zaten ze er naast, dan hoor je er nooit wat van. Een goede goeroe is vooral hij die weet wanneer hij even moet zwijgen.

Maar goed, wie er achteraan wil lopen die doet maar. Maar stel nu dat van zo’n magisch inzicht het financiële lot van een paar miljoen mensen afhangt?

Dat is nu het geval bij het formuleren van een nieuwe, hogere rekenrente voor de lange termijn die op de pensioenfondsen wordt losgelaten. Zoals bekend geeft een hogere rekenrente pensioenfondsen lucht. Minder korten op uitkeringen, minder premiestijging voor werkenden. Minder druk op de fragiele economie van nu.

De huidige marktrentes voor de lange termijn, die voor de pensioenberekening worden gebruikt, zijn zeer laag. 1,8 procent voor de tienjarige staatslening, bijvoorbeeld. En slechts 2,6 procent voor de staatsobligatie per 2042. De vraag is nu of ze ook ‘buitengewoon’ laag zijn. Een anomalie, die de fondsen nu dwingt te rekenen met absurd lage rendementen.

Stel er wordt, eendachtig het maandag gelanceerde pensioenplan, niet door de markt maar van hogerhand een percentage vastgesteld voor de beleggingen op de lange termijn. Een ouderwetse vaste rekenrente van, zeg, 4,2 procent. De vraag is dan of dit wél representatief is.

Er is de afgelopen dagen terecht gewezen op Japan, dat al bijna twintig jaar extreem lage rentes heeft. Dat zou begin jaren negentig ook niemand daar logischerwijs hebben verwacht. Het kan dat de eurocrisis nog heel lang duurt. Het kan dat Duitsland uit de euro stapt, Nederland meegaat, en we samen een nieuw soort Zwitserland worden met een ijzersterke munt en eeuwig lage rentes.

Het kan dat het ‘nieuwe normaal’ de economie sowieso nog lang in zijn greep houdt. Dat we terugkeren naar een continuüm van echte prijsstabiliteit waarin, zoals eeuwenlang gewoon was, je even veel voor een ei betaalde als je overgrootvader, en je achterkleinzoon hetzelfde zou doen – oorlog en hongersnood daargelaten.

Het kan evengoed dat China en India hun groeispurt hervatten en een duurzaam opwaartse druk op de wereldmarkt uitoefenen, met stijgende prijzen en rentes als gevolg. Dat het revolutionaire monetaire experiment in Amerika en Europa uiteenspat in een regen van inflatie. Er kan een tijd komen van zeer hoge reële, voor inflatie gecorrigeerde, rentes. Of een periode waarin ze juist zeer laag zijn.

Nu kun je zeggen: als dat allemaal zo ongewis is, dan is elke rekenrente die je nu hanteert per definitie verkeerd. En dan maakt het in wezen niet uit welke je neemt. Zo eenvoudig is het niet. Want wie beslist er over? Er spelen meteen belangen mee, bijvoorbeeld die van ouderen (hoge rekenrente graag) versus jongeren (liever een lage rente), of werkgevers en werknemers, waarbij de staat zelf óók een grote werkgever is.

Objectiveren is de enige wijze oplossing. Er is destijds niet voor niets voor gekozen de vaste rekenrente te laten vallen bij het uitrekenen van de vermogenspositie van pensioenfondsen, en er de rente van de dag voor in de plaats te zetten. Want vandaag is het enige dat we hebben.

Maarten Schinkel