In alles, die kinderlijke helderheid

Joke van Leeuwen is een veelvormig kunstwezen. Als schrijver, tekenaar en dichter overschrijdt ze de grenzen van de standaardvormen. Ze kreeg vele Griffels en Penselen voor haar kinderboeken en illustraties. Voor een van haar romans kreeg ze een AKO-nominatie. Gisteren kwam met de Constantijn Huygensprijs de waardering voor haar gehele oeuvre.

Een kinderboekenschrijver die de Constantijn Huygens-prijs wint – dat gebeurde maar twee keer eerder: in 1987 toen Annie M.G. Schmidt won en in 2007, toen Toon Tellegen werd bekroond. Maar terecht is het wel: als er één kinderboekenschrijver altijd een volwassen literaire inzet en zeer eigenzinnig kunstenaarschap heeft gekoppeld aan kinderlijke helderheid, dan is het Joke van Leeuwen.

Haar werk heeft de kracht om je blik op de dingen te veranderen. Het gebeurt in Iep! (1996), haar meest succesvolle en meest bekroonde kinderboek, dat begint met een wonder van eenvoud: ze tekent drie lijnen, buigt ze, schuift ze tegen elkaar en schept zo de contouren van het heuvellandschap waarmee haar verhaal begint. Ze doet het ook in Waarom een buitenboordmotor eenzaam is (2004), haar ‘Opperlands voor kinderen’: een kerstomaatje tekent ze als het rode vruchtje én als een grootmoeder met een kaarsje in haar haar. (Die eenzaamheid van de buitenboordmotor zit ‘m trouwens in zijn gebrek aan synoniemen – en dat vergeet je zo nooit meer.) Ze doet het ook in haar gedicht ‘Toetje’, waarin afwijkende afbrekingen een heel nieuw geurtje geven aan de woorden kaketoe en pistachenootjes.

Het zijn allemaal andere voorbeelden en ook allemaal hetzelfde: het werk van Joke van Leeuwen herken je altijd. Tekenaar, schrijver en dichter zijn overigens maar drie gedaantes van het veelvormige kunstwezen dat Joke van Leeuwen is – net zomin als de benamingen kinderboekenschrijfster of zelfs dubbeltalent haar recht doen. Multitalent Van Leeuwen laat zich niet in een hokje plaatsen, omdat ze telkens de grenzen van de standaardvormen opzoekt en die grenzen effectief overschrijdt. Haar eerste roman voor volwassenen Vrije vormen (2002) stond vol met plaatjes. Haar jongste prentenboek voor kinderen Waarom lig jij in mijn bedje? (2011) laat zich uitvouwen tot slaapkamerlengte.

„Ik ontdoe dingen van het vanzelfsprekende, door er op een andere manier naar te kijken”, zei Van Leeuwen een paar jaar geleden in deze krant. Als kind deed ze dat al: ze maakte maandelijks een huiskrant voor de familie, Het Leeuwebekje, en verzorgde onder meer de vreemde-versprekingenrubriek. Toen de Van Leeuwens naar België verhuisden – Joke was dertien – kwam al het gewone op losse schroeven te staan: „Plotseling realiseerde ik me dat veel dingen typisch Hollands waren, zoals de manier waarop kinderfeestjes worden gevierd.”

Schrijvend en tekenend kon ze wat met die verbeeldingskracht. Na de kunstacademie en een studie geschiedenis debuteerde ze in 1978 met De Appelmoesstraat is anders, een boek waar zo een interactieve app van gemaakt kan worden, zozeer is het een vermenging van tekst en beeld, verhaal en spel, van kunstenaarschap en lol voor kinderen. Het volgende werk van Van Leeuwen liet zich goed voegen in de jaren-tachtigtrend om het kinderboek te beschouwen als artistieke uiting, niet alleen als iets voor kinderen. Toen kon de literatuur van Toon Tellegen en Wim Hofman tot bloei komen – maar later klonk ook gemor ‘of dit nog wel kinderboeken waren’. Van Leeuwen verzette zich altijd tegen die tweedeling tussen literatuur voor kinderen en volwassenen – en misschien had ze daartoe wel het meeste recht van iedereen.

Want een boek als Iep! is ontregelend op een manier die kinderen niet buitensluit, en bovendien grappig. De hoofdfiguur Viegeltje, half vogel, kan maar weinig klinkers zeggen, waardoor ze dingen zegt als: ‘Ik miet een bieteriemetje mit pindekies’. In wezen is het een tragisch teken dat ze als vogelmeisje nooit helemaal bij de mensen zal kunnen horen. Even dubbel is Toen mijn vader een struik werd (2010): een bijtende satire, juist omdat het ook lichtvoetig is op een manier dat het kinderen niet ontgaat. Aan de oppervlakte is het komisch, maar ondertussen gaat het over de waanzin van de oorlog. De vader van hoofdpersoon Toda trekt ten strijde in het camouflagepak dat hem tot struik maakt.

De AKO-nominatie voor haar roman Alles nieuw (2006) heeft haar „uit een genre bevrijd dat haar roem onder volwassenen te lang in de weg heeft gestaan”, schreef Trouw destijds. Nu valt het met dat gebrek aan waardering wel mee: Van Leeuwen kreeg lof op alle gebieden. Ze won als jonge cabaretier al prijzen op het Camerettenfestival, haar poëzie voor volwassenen kreeg in 1995 de C. Buddingh’-prijs en ze was stadsdichter van Antwerpen, en ze verzamelde voor haar kinderboeken en illustraties een flinke prijzenkast vol met Griffels en Penselen. Voor haar oeuvre kreeg ze de Theo Thijssenprijs en de Gouden Ganzeveer. Maar de literaire waardering van een instituut als de Constantijn Huygens-prijs, voor haar gehele oeuvre, die gisteren, precies op haar zestigste verjaardag, toegekend werd – die is nieuw, en toch ook wel onverwacht. Toen ze de Gouden Ganzeveer kreeg, in 2010, sprak ze de hoop uit dat die erkenning „ertoe kan bijdragen dat wie zich met volwassenenliteratuur bezighoudt niet bevooroordeeld en onverschillig staat tegenover wat er in de wereld van het kinderboek gebeurt”. Wie weet draagt de Constantijn Huygens-bekroning daar ook aan bij – Van Leeuwen kreeg het immers al eerder voor elkaar om blikken te laten kantelen.

Thomas de Veen

Over het beginnen aan een verhaal

Een inval kan zomaar zo komen,

zo’n inval, zo’n bruikbaar begin,

als blaadjes die vallen uit bomen,

maar dan niet eruit, maar erin,

want uitval is meer iets voor haren

en invallen vallen dus in.

Zo’n inval die moet je bewaren,

zo’n inval heeft anders geen zin.

Dan moeten er blaadjes ja komen

en altijd een pen die het doet.

Geen blaadjes die vallen uit bomen,

het gaat op die blaadjes niet geod.

En als je dan leesbaar kunt schrijven,

liefst niet met je mond of je voet,

dan weet je: mijn inval zal blijven,

ik schrijf wat ik denk dat ik moet.

Toe

tje

Wij zijn gek

omen voor een lek

kere kak

etoe toe.

Die is van slag

room met pis

tachenootjes en koe

k.

De kok krijgt een bed

ankje. Wat een heer

lijke kak

etoe toe.

Mmmmmmm

et een lepeltje erbij.

Uit: Joke van Leeuwen: Ozo heppiejer Queido