Opinie

Wie is er bang voor een olijke Dustin Hoffman?

Amerikaanse krantenlezers zagen dit: een goedlachse man die in een kantine voor de lunch zijn dienblaadje heeft volgeladen. Terwijl de man, type Dustin Hoffman, door een Chinese militair naar zijn tafel wordt begeleid, maakt hij nog snel even een grapje met het personeel achter de toonbank. Het was de Amerikaanse minister van Defensie, Leon Panetta, die vorige week tijdens zijn bezoek aan Peking op de militaire academie lunchte met cadetten. In opperbeste stemming, zou je zeggen.

Maar wat zagen de Chinezen? Was dezelfde scene voor hen even gemoedelijk? In een New Yorkse kiosk zag ik donderdag naast de kranten met de olijke Panetta het september/oktobernummer van Foreign Affairs liggen, met op het omslag de vette kop: ‘Hoe China Amerika ziet’. En daaronder in iets kleinere letter: ‘Hint: als vijandig, agressief, en vastbesloten om de opkomst van Peking te blokkeren’.

Of Panetta het tijdschrift op weg naar China heeft gelezen, vermeldden de kranten niet. Maar in elk geval kwam hij de Chinezen verzekeren dat ze in de nieuwe Amerikaanse focus op Azië vooral geen bedreiging moeten zien. En dat de Verenigde Staten er echt niet op uit zijn om het opkomende China in te dammen – een boodschap die de Amerikanen al jaren in Peking proberen te slijten, zonder veel succes.

Het is altijd verhelderend je af te vragen hoe de wereld eruit ziet vanuit een ander gezichtspunt dan het jouwe. Ook in de grote politiek kan dat verrassende resultaten opleveren. De journalist David E. Sanger vertelt in zijn boek Confront and Conceal dat de Amerikaanse admiraal Mike Mullen kort na zijn aantreden als voorzitter van de chefs van staven de banden met Pakistan wilde aanhalen. De Amerikanen waren tot het uiterste getergd door de samenwerking van de Pakistaanse inlichtingendienst ISI met de Afghaanse Talibaan. Maar tegelijkertijd kon (en kan) Washington in Afghanistan niet zonder hulp van de Pakistanen.

Om te kunnen inschatten hoe Islamabad op zijn toenadering zou reageren, gaf Mullen zijn staf opdracht een rollenspel te spelen: ze moesten doen alsof ze adviseurs waren van de Pakistaanse legerleider Kayani, en voor hem opschrijven wat ze van de Amerikaanse toenaderingspoging dachten. Het oordeel was vernietigend: nadat de Amerikanen zich in Pakistan hadden ingeleefd voorspelden ze dat de Verenigde Staten Pakistan ongetwijfeld weer snel in de steek zouden laten, zoals ze al zo vaak hadden gedaan. Zo bezien was de dubbelhartige Pakistaanse opstelling in Afghanistan opeens een stuk begrijpelijker.

Om te weten hoe China over Amerika denkt is geen rollenspel nodig. Op basis van gesprekken met Chinese academici en (oud-)militairen schrijven de (Amerikaanse) auteurs van het stuk in Foreign Affairs dat de wereld vanuit Peking gezien vol gevaren is – van de binnenlandse instabiliteit tot de moeizame verhouding met sommige van de veertien buurlanden. De Amerikanen, met hun grote militaire aanwezigheid in de regio en hun veiligheidsgaranties voor Taiwan, Japan en ander landen, versterken de Chinese angst voor ‘strategische omsingeling’.

Niemand zal zeggen dat de Amerikanen daarom maar een toontje lager moeten zingen, laat staan hun bondgenoten in de regio in de steek moeten laten nu de spanningen oplopen. Maar het is wel belangrijk de Chinese angsten serieus te nemen.

Op zijn beurt zou China ervan profiteren als het zich inleefde in de buurlanden waarmee het nu zo’n gespannen verhouding heeft. Door zijn harde opstelling in de geschillen over enkele eilandjes versterkt China de angst van de buren voor de grote opkomende Chinese macht. Zo stimuleert China hen ongewild om juist meer militaire samenwerking met Amerika te zoeken.

Helaas zal het nog wel even duren voor in Chinese kiosken een tijdschrift ligt met de kop: ‘Hoe onze buren China zien’. En daar onder: ‘Hint: als vijandig, arrogant en vastbesloten om de dominantie van Peking door te zetten.’