Vos wint niet alleen, Vos verpulvert

Marianne Vos moest het WK winnen. Falen in eigen land was geen optie. Dus won Vos. Op een wijze die geen twijfel liet over haar suprematie.

Beklimming van de Maasberg in Elsloo, gisteren tijdens de WK voor mannen.
Beklimming van de Maasberg in Elsloo, gisteren tijdens de WK voor mannen. Foto Chris Keulen

Vijf minuten voor de start van het wereldkampioenschap wordt Marianne Vos door een jongen van de catering op haar schouder getikt. Of ze op de foto wil met zijn vader. Vos knikt en zegt: „Ja hoor, tuurlijk”, en poseert naast een opaatje met een pet. Klik, doet de camera.

Daarna stapt ze op haar fiets en peddelt naar de startstreep. De jongen en zijn vader kijken naar het plaatje. Ze zien een schuchter glimlachende meisje met een paardenstaart en een zonnebril op. Goh, wat lijkt ze onschuldig.

Maar schijn bedriegt.

Ergens in dat meisje met die paardenstaart schuilt een beest. Een kannibaal. Een monster dat bloemtuilen, gouden medailles en trofeeën vreet. Een wielrenster die prullenbakken in elkaar trapt als ze een keer niet wint. Een scholiere die haar boekenplank doormidden slaat als ze erachter komt dat ze het verkeerde hoofdstuk heeft geleerd. Een ploeggenote die ’s avonds na het diner niet meespeelt met een spelletje ganzenbord of monopoly omdat ze niet tegen haar verlies kan. Een wielrenster die het liefste zonder kilometerteller traint, omdat ze de wedstrijd met zichzelf nooit kan winnen.

Vos wint liever lelijk dan niet. Ooit werd ze wereldkampioene veldrijden door de hele wedstrijd in het wiel van haar concurrentes te plakken, niet één keer over te nemen en daarna het sprintje te winnen. „Dat was wel smerig van me. Maar ik heb er geen spijt van: ik werd er wel wereldkampioene mee. En dat is wat telt”, zei ze na die overwinning in dagblad De Pers.

Vijf keer op rij won ze het wereldkampioenschap wielrennen niet, en elke keer deed het meer pijn dan de vorige keer. Vorig jaar, in Kopenhagen, verloor ze in de massasprint van de Italiaanse Giorgia Bronzini met een half wiel verschil omdat ze te laat aanging. Toen Vos over de finish kwam gilde ze „neeeeeee!!!”.

In Valkenburg moest ze nóg meer winnen dan al die WK’s in al die andere jaren. Op het WK in eigen land was falen geen optie. Ook niet nadat ze op de Olympische Spelen goud had gewonnen. De winnaressen van olympisch zilver en brons vierden feest, maar Vos trainde door. Goud binnen, op naar het volgende doel: je moet het maar kunnen.

Aan druk of stress doet Vos niet. Ze heeft hooguit last van zenuwen. Op de dag voor de koers deed ze een wedstrijdbespreking voor de junioren, ’s avonds ging ze nog even langs bij een tv-programma van de NOS. Haar voorganger Leontien van Moorsel ging bijna hyperventileren toen ze Vos zag komen aanlopen („Ze hoort op haar bed te liggen”), maar aan Vos zelf was niets te zien.

De wedstrijd – 129 kilometer, met acht rondes van 16,1 kilometer – ontaardt in een slachtpartij. De Nederlandse vrouwen openen na een paar ronden met een spervuur van demarrages om de koers hard te maken. Ze plaveien de weg voor Vos; die valt zelf op 35 kilometer van de aankomst aan op de Cauberg. Ze rijdt in één ruk naar een groepje waarin haar ploeggenote Anna van der Breggen al op haar wacht en ze drukt het gaspedaal daarna zo diep in dat het peloton meteen kansloos is.

Het gat wordt één minuut, twee minuten, drie minuten – aan de finish zullen het er vierenhalf zijn. Het is dat bondscoach Johan Lammerts tegen haar zegt dat het zo wel mooi is – anders had ze geprobeerd de rest een ronde te lappen.

Op de laatste beklimming van de Cauberg knuppelt Vos haar overgebleven concurrentes dood met een demarrage op het steilste stuk. Ze doet het op het buitenblad; iets waar de andere vrouwen alleen maar van kunnen dromen. De Australische Rachel Neylan – op een lichtjaar afstand tweede – zal later zeggen dat Vos een klasse apart is. En de Amerikaanse Amber Neben, vierde, kan niets anders uitbrengen dan: „Je kunt proberen van haar te winnen, maar bij proberen blijft het meestal.”

Vos rijdt solo naar de finish. Op honderd meter voor de streep pakt ze nog even een Nederlandse vlag van een toeschouwer; ze is nog zo scherp dat ze beseft dat ze de vlag niet op z’n Frans moest vastpakken. Ze hoeft niet meer achterom te kijken om er zeker van te zijn dat er iemand terugkomt; voor twijfel is geen ruimte. Niet voor de koers, niet tijdens de koers, niet na de koers. Dit is geen winnen meer. Dit is verpulveren.