Tegen het taboe op regels

Ann Goldstein fietst niet. Dat siert haar. In een interview met Art In America Magazine zegt de directeur van het zojuist geopende Stedelijk Museum dat ze probeert Nederlands te leren. „Maar ze weigert één nationale gewoonte over te nemen: fietsen. ‘Ik ben een kluns - I’m a klutz’, geeft ze opgewekt toe.”

Waren er maar meer klutzen. Zojuist is een van de allerliefste kleine meisjes die ik ken aangereden door een Amsterdamse fietser die op topsnelheid door rood reed op de Rozengracht. Zoals alle fietsers hooghartig door rood rijden in Amsterdam, want dat is cool. En als je dan een kind tegen het asfalt smakt – overal bloed en pijn en kapotte tanden – is het cool je er niet over te ontfermen en het niet erg te vinden.

Laat ik vooraf waarschuwen. Als ik nog eens hoor van een fietser die een kind verwondt, kom ik hem hoogstpersoonlijk opdrijven, uitroken, de vingers breken, de knieschijven kapotslaan en aan de haren ophangen. Ik weet het, daar wordt de wereld niet beter van, en de aanpak druist in tegen de oude humanistische waarden waarvoor ik me op andere momenten sterk maak; ik weet het. Als ik de tanden van de Amsterdamse fietser rooster boven het kampvuur, zal mijn hart dan ook oprecht wenen om de mensenrechten die ik schend.

Nu wat betreft Ann Goldstein. Zolang ze een klutz blijft, loopt ze minder gevaar te worden besmet met dat veelbezongen Amsterdamse anarchisme, dat in feite niets is dan de zelfvertedering van de stadse mens en verheerlijking van criminaliteit. Met Holleeder op de foto! Dronken en zonder licht op de fiets! Wil het Stedelijk Museum weer de plek zijn waar wordt gesproken over Stad en Kunst, over de bijdrage van kunstenaars aan ‘een beter begrip van onszelf en de samenleving waar we in leven’, dan hoop ik van harte dat er in de toekomst wordt gesproken over de betekenis van stad en kunst als vrijzone. Over de betekenis van regels dus.

In het afgelopen jaar werd het belang van de kunst nogal eens verdedigd met vage en romantische dooddoeners. Over de ‘onmetelijke vrijheid’ die de kunst ons voorhoudt. Hoe ‘kunst dat is wat zijn eigen regel bepaalt’. Hoe kunst laat zien ‘dat we vrij zijn, in elke handeling die we verrichten’.

Het Vlaamse kunsttijdschrift rekto:verso vertrouwde het niets. En dus maakte het eerder dit jaar een aflevering over dingen die juist níét mogen in de kunst. Uit dat themanummer waren twee conclusies te trekken. Ten eerste: de kunstwereld wemelt van de regels en conventies. Ten tweede: die regels zijn dermate taboe dat ze worden ontkend, waarmee het taboe op regels tot een conventie op zich wordt.

„De artistieke wereld verkoopt zich steevast als de absolute vrijzone”, schreef de redactie. In de hal van het Vlaamse jeugdtheater HETPALEIS staat groot op de muur te lezen: „Kunst moet niets, behalve boeien”. Terwijl er in feite toch een onuitgesproken systeem bestaat van voorschriften en tradities. Instrumentalisering van kunst, zeggen de geïnterviewde kunstenaars bijvoorbeeld, is absoluut verboden. Terwijl – o, paradox! – engagement juist is verplicht. Intussen zeggen alle ondervraagde kunstenaars dat ze zich zelf aan geen enkele regel houden. „Voor kunstenaars zijn ‘conventies’ die regels waar steeds ánderen zich aan bezondigen.”

De vraag is natuurlijk waaróm de artistieke wereld zich zo graag voordoet als een vrijzone. Net zoals je je kunt afvragen waarom Amsterdam zo trots is op zijn anarchistische fietsers. De claim op absolute vrijheid maakt het gesprek onmogelijk over de voor- en nadelen van al die regels die er wel degelijk zijn. Bovendien dwingt zo’n verheerlijking van ongelimiteerde vrijheid de minder begaafden in kunst en samenleving tot een dommig soort balorigheid. Zoals de morone studenten op de Rozengracht, die kennelijk iedere dag een schoolkind ondersteboven moeten fietsen om te laten zien hoe soeverein ze zijn.

In het tijdschrift rekto:verso richtte programmamaker Jean-Pierre Rondas zijn pijlen op die dommige balorigheid in de kunst. Kunstenaars onderwerpen zich gretig aan nieuwe conventies om zich te ontworstelen aan de oude; ze kiezen massaal voor ‘werk dat naar zichzelf verwijst’ om maar niet te hoeven streven naar schoonheid. „Het gaat me niet om het herstel van oude waarden”, zei Rondas. „Als je historische tradities probeert te herstellen, kom je pas tot echte kitsch.” Maar hij liet wel zien dat je de nieuwe conventies pas kunt beoordelen als je bereid bent toe te geven dat ze bestaan.

Als voorbeeld noemde Rondas de nieuwe regel die dwingt reële afbeeldingen te maken, in plaats van uitbeeldingen. „De überkopiist is natuurlijk Luc Tuymans”, zei hij. „Met in zijn schaduw een hele schare mini-Tuymansen die ook almaar kopiëren van foto’s, en er op doek dan een andere tint aan toevoegen.”

Al met al kun je vandaag niet anders concluderen dan dat de toekomst gloort. Het Stedelijk Museum is open. Er hangt een nieuwe Luc Tuymans. De directeur kan niet fietsen. Geweldig, alle voorwaarden aanwezig om eens iets interessanters te zeggen over kunst dan dat er niets moet en alles mag.