Louvre toont islamitische kunst in nieuwe vleugel

Na de piramide heeft het Louvre een nieuwe spraakmakende vleugel: ‘Arts de l’Islam’ voor islamitische kunsten in al hun grandeur en diversiteit.

Twintig jaar na de piramide is het Louvre terug met een majeure architectonische innovatie, onder de ‘libelle-vleugel’ op de Cour Visconti, één van de drie onbenutte binnenplaatsen van het museum. De vleugel voor islamatische kunsten van het architectenduo Mario Bellini en Rudy Ricciotti springt minder in het oog dan de glazen piramide van I.M. Pei. Toch is de afdeling Arts de l’Islam minstens even spectaculair. Als een fijnmazige sluier van glas en goud ligt ze gedrapeerd over de collectie islamitische kunst – één van de omvangrijkste ter wereld.

Voortbouwend op de wereldwijde trend, waarbij musea her en der dependances openen, lanceerde ook het Louvre afgelopen jaren satellieten. Eentje richting Noord-Frankrijk; een ander richting de Perzische Golf. De opening van het Louvre-Lens en het Louvre Abu Dhabi staan voor respectievelijk eind dit jaar en 2013 gepland.

Zo bezien is de nieuwe vleugel een geruststellend signaal: de toekomst van het museum ligt nog steeds in Parijs. Aan het moederschip wordt gestaag verder gebouwd. Een politieke boodschap – we zijn in Frankrijk – is er ook, al betreft deze de collectie. „We willen de islam in al zijn grandeur en diversiteit tonen”, zegt hoofdconservator Sophie Makariou te midden van de 3.000 geëxposeerde objecten. „Dat is belangrijk in een tijd waarin de islam door een kleine groep extremisten tot een paar aspecten wordt teruggebracht.” Het zijn betekenisvolle woorden in de week waarin het satirische weekblad Charlie Hebdo spotprenten van de profeet Mohammed afgedrukte en de regering vreest voor aanslagen op Franse scholen en ambassades in de islamitische wereld.

Afgelopen zaterdag opende de nieuwe vleugel zijn deuren. Islam wordt er met een grote ‘I’ geschreven. Want het is niet het geloof dat in het Louvre wordt geëerd, maar de islamitische beschaving, zoals die vanaf de zevende eeuw opkwam en zich op zijn hoogtepunt uitstrekte van Spanje tot India.

Wat de collectie islamitische kunst van het Louvre volgens de Amerikaan Jonathan Bloom zo uniek maakt is „de intieme band” met de Franse nationale geschiedenis. Bloom, op bezoek in Parijs, is co-samensteller van de Grove Encyclopedia of Islamic Art and Architecture (2009) en geldt als een van de belangrijkste specialisten op het gebied van islamitische kunst ter wereld. „De meest emblematische objecten bevonden zich lange tijd in het bezit van de abdij van Saint-Denis of waren in bezit van de Franse Koninklijke familie.”

Hij wijst op de Baptistère de Saint Louis, één van de onbetwiste topstukken uit de collectie. De met zilver en goud ingelegde schaal is omgeven door mysterie. Hij werd ergens in de veertiende eeuw vervaardigd in Syrië of Egypte door de edelsmid Mohammed Ibn al-Zain. Waarschijnlijk kwam hij vervolgens via Cyprus in Frankrijk terecht. Het verhaal wil dat er vervolgens eeuwenlang koningskinderen in werden gedoopt – al bestaan er slechts geschreven bronnen over de periode van de Franse Restauratie (1814 -1830).

„Het ambachtswerk is van een ongeëvenaarde verfijning en expressie”, zegt Bloom. „Daarbij leren de afbeeldingen ons over het hofleven tijdens de Mamelukken-dynastie, die tot 1517 over Egypte heerste.”

Andere topstukken uit de collectie: de enigmatische bronzen pauw van Abd al-Malik de Christen. Specialisten kunnen alleen maar vermoeden dat hij als waterschenker werd bedacht. Of de uitbundig gedecoreerde kristallen karaf die de Graaf van Blois-Champagne in 1152 cadeau deed aan de abdij van Saint-Denis. En het ivoren kistje van de jongste zoon van de Kalief van Cordoba niet te vergeten. Zestien centimeter hoog, jachtscènes tot in het kleinste detail uitgebeeld.

Maar de curatoren namen geen genoegen met afstoffen van bekende meesterwerken. Uit vier eeuwen Ottomaans keramiek werd een adembenemende tegelwand samengesteld. Ook werd archeologisch onderzoek gedaan in de eigen kelder. Medewerkers van het Louvre stuitten er op zo’n 300 kalkstenen blokken, die bij nader inzien onderdelen van een vestibule bleken te zijn. Nu kan de bezoeker zich even in het huis van een Mamelukse edelman wanen.

En zo is het precies bedoeld. Een bezoek aan de afdeling Arts de l’Islam is een ontdekkingsreis, een ervaring. Onder de creatie van Bellini en Ricciotti tref je geen statige zalen met geordende vitrines. Er zijn twee vloeren, meerdere ingangen en een voorgeschreven parcours ontbreekt.

Als bezoeker beweeg je vrijelijk door de schatkamer van het onmetelijke islamitische rijk. Uitgekeken op het geëmailleerde glaswerk uit Syrië? Enkele meters verderop kun je je vergapen aan een pauwenveren vliegenmepper uit India met handvat vol met robijnen en smaragden, of vloermozaïeken uit Libanon.

„De curatoren hebben het laagdrempelig weten te houden zonder aan crowdpleasing te doen,” meent Bloom. „Knap werk, ook de combinatie van old favorites en eigen maaksels functioneert goed”. Zelf ontdekken juicht Bloom van harte toe, al zou een beetje sturing volgens hem gepast zijn. Richting de Baptistère de Saint Louis bijvoorbeeld. „In de huidige opstelling is de kans dat je hem misloopt reëel. Zonde, want er zijn nu eenmaal dingen die je gezien moet hebben.”