Huppen

Vanaf mijn balkon bekeek ik een merel en een dikke duif. De duif had een manke poot. Hij hupte door de tuin van de benedenbuurvrouw, ging op de rand van een stenen schaal zitten en dronk water. De merel liep door de dakgoot van het schuurtje. Ze vlogen niet, deze vogels. Ze hupten.

Toen ik gisteren mijn fiets op slot zette verscheen er een kraai van achter een boom. Ook die kraai hupte. Het was alsof er geen vogel meer was die vloog, behalve dan de meeuw die laatst boven zee in de lucht hing, de vleugels stil. De meeuw bleef op dezelfde plek boven de branding hangen. Hij had geen doel, zo leek het. Hij zweefde alleen in de lucht. Niet op zoek naar vis of een vuilniszak, want daar schijnen meeuwen aan de kust tegenwoordig vooral hun voedsel uit te halen.

Thuis luisterde ik naar Blaze Foley. Hij zong:

If I could only fly, if I could only fly

I’d bid this place goodbye and come and be with you

But I can hardly stand and I got nowhere to run

Another sinking sun and one more lonely night

Het is mooi als een zanger gewoon zegt: ‘Ik wil bij je zijn.’ En daarna de wanhoop en machteloosheid, en het vooruitzicht van een eenzame nacht. Foley weet wat komen gaat. Hij wil niet echt vliegen. Dat vliegen is alleen een idee. Als hij zou kunnen vliegen, dan zou hij nog niet bij die ander kunnen zijn.

Ooit stond in de krant dat er amper meer mussen in Amsterdam zijn, en toen ik er een tijdje op lette kon ik ze inderdaad nergens ontdekken, behalve in Artis. Een van de mooiste dingen ooit in de dierentuin: mijn kinderen die een klein lullig musje aanwezen dat tussen het gaas van een hok doorhupte, en de zwarte panter daarachter die ze niet zagen.

Als ik alleen op mijn balkon zit en die vogels zie ploeteren, dan mis ik mijn kinderen. Dan wil ik bij hen zijn, maar dat gaat niet op deze dag. Dat verlangen is niet te traceren, niet te rationaliseren. Het is alleen te verdoven. Het voelde als huppen, daar achter die spijlen van het balkon.

Ik klapte hard in mijn handen. De merel schrok en vloog naar het schoolplein achter mijn huis. De duif schoot eerst de tuin door en steeg toen op, dook over de schutting van de buren en verdween daar onder de struiken. Ik liet de vogels vliegen.

De mussen van Artis zal ik nooit laten schrikken. In ieder geval niet als mijn kinderen er bij zijn.

Ik herinner me ganzen die naar het zuiden trokken als het kouder werd. In enorme V-formaties kwamen ze over de polder, als een peloton wielrenners, allemaal achter elkaar. De voorste gans is de sterkste. Ganzen kijken nooit om. De voorste ook niet. In feite vliegt hij alleen. Waarschijnlijk weet die vogel niet waardoor hij gedreven wordt. Het zit in zijn lijf: naar het zuiden, naar de warmte.

Marcel van Roosmalen schrijft deze week nog columns voor de satirepagina Panache (achterop). Jan van Mersbergen vervangt hem.