Het stadje en de supermarkt

Oma's in matching outfits. Foto NRC / Gianluca Fratantonio

We snapten zo ongeveer wat er gebeurd was in de Champagne-Ardennen, waarom het gebied zo arm was als het leek: de fabrieken waar het grootste gedeelte van de bevolking ooit werkte zijn gesloten. Het land is opgekocht door grote corporaties, wat het voor kleine boeren onmogelijk maakt de concurrentie aan te gaan. Het kanaal wat in de 17e eeuw gebouwd werd, wordt tegenwoordig nauwelijks nog gebruikt. En toeristen blijven hier weg. Of althans, dat is wat we hoorden van de mensen met wie we spraken.

Maar dat gaf nog steeds geen verklaring voor de totale levenloosheid van de dorpjes die we passeerden. Het totale gebrek aan bakkers, groentewinkels, slagers en cafeetjes. Want mensen moeten nog steeds eten, nietwaar? Hoe doen ze dat?

Vanmiddag vonden we het antwoord. Het begon, misschien niet geheel toevallig, in een restaurant.

We stapten het binnen rond een uur of drie, na 20 kilometer lopen langs het kanaal. “Think positive,” had Gianluca gezegd. En dat hielp. Wegrestaurant Relais du Commerce leek dicht, maar was open. “Welkom,” zei de jongen achter de bar. “Daar is nog een tafeltje vrij en daar staan de voorgerechten.” Die mochten we zelf pakken. En zo zaten we nog geen 5 minuten later, nat van het zweet en uithijgend van de tocht, achter twee volle borden met krab, bonensalade, brood met boter, haring en aardappels, tussen de truckers, tienerstelletjes en bejaarde dames in matchende omajurken. Het leek te mooi om waar te zijn.

Restaurant Relais du Commerce. Foto NRC / Gianluca Fratantonio

Restaurant Relais du Commerce. Foto NRC / Gianluca FratantonioRestaurant Relais du Commerce. Foto NRC / Gianluca Fratantonio

Een bonne route en bonne courage gewenst door het voltallige restaurant, wilden we onze weg vervolgen naar Saint Dizier, toen Jean-Marc, de eigenaar van het restaurant, ons een lift aanbood. Tien minuten met de auto, twee uur lopen. Kom op, zei hij, waarom niet? Dan gaf hij ons een toertje door het centrum.

Als eerste kwamen we door een wijk met smalle steegjes, die uitkwamen op kleine straatjes met mini-huisjes. Sommigen van hout, onbewoond en vervallen. Ooit was dit het schipperskwartier, vertelde Jean-Marc, want vroeger was Saint-Dizier een schippersstad.

We reden door een straat met winkels, de meesten gesloten. We passeerden een groot plein met het stadshuis en een theater. Een oud klooster en een oud ziekenhuis, allebei niet meer gebruikt en in verval.

“En dan nu,” zei Jean-Marc, “het Franse model.” Het centrum van de actie: een spiksplinternieuw gebied van blokkendozen met mega-woonboulevards, mega-fastfoodketens, mega-kledingwinkels en mega-supermarkten, net buiten de stad. Het centre commercial, alle grote steden hebben die tegenwoordig. Die van Saint-Dizier bedient de drie grote steden hier omheen. En heeft de centra van die steden en alle kleine dorpjes in de buurt langzaam doodgebloed. Wat niet erg zou zijn, als het nieuwe werkgelegenheid zou creëren. Maar dat is niet zo, volgens Jean-Marc.

De Supermarkt. Foto NRC / Gianluca Fratantonio

De Supermarkt. Foto NRC / Gianluca FratantonioDe Supermarkt. Foto NRC / Gianluca Fratantonio

’s Avonds moeten we er naar toe om ons avondeten te kopen in een supermarkt. De E. Leclerc, een fabriek onderaan de snelweg, van kilometers afstand al te zien.

Vanbinnen is hij zo groot dat het eng is. Alles is er en van alles heel veel, rekken en rekken vol. Eten en tv’s en keukenspullen en kleren. Verpakt in plastic, met goedkope, schreeuwerige letters en kleurtjes. Door de speakers voorzien van een blikkerige soundtrack van de allerlaatste wereldwijde hits. We worden er duizelig van. En voor het eerst begrijp ik Bjork een beetje (op 1.03 in deze clip zo goed nagedaan door Dawn French:)

En dan de mensen, ze lijken allemaal zo triest. Zombie-achtig achter hun karretjes, in kleren die uit een zelfde soort winkels komen als deze. Ooit waren ze boeren en schippers, toen werkten ze in fabrieken en nu is dit wat er van ze verwacht wordt en dus doen ze dit.

Het is niet de eerste keer dat ik in zo’n supermarkt kom. Vroeger kwam ik er ook, samen met mijn moeder tijdens de vakanties. Toen voelde dat als een vrolijk avontuur. Zo anders, zo Frans, zo grappig, zo onschuldig, zo onbekend. Doordat de weg ernaar toe verschilde? Of doordat dat inmiddels twintig jaar geleden is? Dit fenomeen toen nog nieuw was en wij, net als de mensen die hier wonen, daardoor nog niet zagen dat de keuze om hier je boodschappen te doen er op de lange termijn voor zou zorgen dat je geen keuze meer had?

Raoul kreeg voor zijn tocht van de ANWB Human Nature travel gear, een rugzak en een jack van The North Face en een iPad van Mangrove.