Een heel gewoon kabinet

Links en rechts regeerden eerder met elkaar. Eindelijk zonder het eeuwig aan de macht zijnde CDA, was achttien jaar geleden het gevoelen toen Paars werd geboren. Maar al heel snel bleek dat zo bijzondere kabinet vrij normaal.

Mark Kranenburg

3-5-1994,Stadsschouwburg Amsterdam. PvdA-lijsttrekker Wim Kok reageert opgelucht en blaast adem uit z'n bolle wangen als de eerste prognose van de verkiezingsuitslag op het televisiescherm verschijnt en de PvdA groter blijkt dan het CDA in deze nek-aan-nek-race. Brinkman zou opstappen, Kok werd premier van het eerste Paarse kabinetAchter de schermen voor Rijksmuseumopdracht '100 jaar sociaal-democratie' foto bert verhoeff
3-5-1994,Stadsschouwburg Amsterdam. PvdA-lijsttrekker Wim Kok reageert opgelucht en blaast adem uit z'n bolle wangen als de eerste prognose van de verkiezingsuitslag op het televisiescherm verschijnt en de PvdA groter blijkt dan het CDA in deze nek-aan-nek-race. Brinkman zou opstappen, Kok werd premier van het eerste Paarse kabinetAchter de schermen voor Rijksmuseumopdracht '100 jaar sociaal-democratie' foto bert verhoeff Bert Verhoeff/Hollandse Hoogte

Des Indes. In dit statige hotel aan het Haagse Lange Voorhout begon het ooit: het voorzichtig aan elkaar snuffelen van de politieke aartsvijanden VVD en PvdA. Het was 1976. In Nederland regeerde zoals toen werd gezegd het ‘meest linkse kabinet’ sinds de Tweede Wereldoorlog: het kabinet-Den Uyl. Onder het mom van samenwerken voerden PvdA, D66 en de PPR (een partij die later zou opgaan in GroenLinks) een permanente machtsstrijd met hun christen-democratische coalitiepartner.

De VVD onder leiding van de ‘jongeheer’ Hans Wiegel zat in de oppositie. Wachtend op het moment dat de christen-democraten de PvdA zouden inruilen voor zijn partij. Zo ging het immers altijd in Nederland. Dan regeerden de christen-democraten weer een poosje met links, dan weer met rechts. Met als constante: altijd christen-democraten in de regering. Met uitzondering van de oorlogsjaren 1940-1945 was dat sinds 1918 vanaf de invoering van het algemeen kiesrecht altijd de situatie geweest.

Aan die ijzeren politieke wet wilde het groepje in Hotel des Indes van verlichte PvdA’ers, VVD’ers en een enkele D66’er in 1976 een einde maken. Dat kon alleen als de linkse PvdA en de rechtse VVD elkaar niet steeds bij voorbaat van samenwerking in een kabinet uitsloten. Zeker, PvdA en VVD dachten in de gepolariseerde jaren zeventig fundamenteel verschillend over een aantal zaken: de economie, het onderwijs, defensie.

Maar er waren ook onderwerpen die de twee partijen bond. Vraagstukken die PvdA en VVD best samen konden regelen, als ze maar samen regeerden. Dan ging het over het niet meer strafbaar stellen van abortus, het recht op euthanasie, gelijke behandeling van homoseksuelen. En ook om het beperken van de macht van het amorfe zogeheten middenveld. Oftewel de invloedrijke vaak door christen-democraten bemande onderwijsbesturen, woningbouworganisaties, landbouw-belangenverenigingen enzovoort.

Stuk voor stuk voornemens waar de christen-democratische partijen KVP, ARP en CHU, op weg om zich definitief te verenigen in het CDA, faliekant tegen waren. Die zij ook onveranderd konden laten, omdat ze altijd in de regering zaten. Het was, zoals D66-oprichter Hans van Mierlo, telkens weer zuchtend vaststelde: „de vanzelfsprekendheid van de macht”.

Die macht moest doorbroken worden, vonden de deelnemers aan het Des Indes-beraad. Het waren niet de partijleiders die aanzaten aan de tafel in de Anna Pavlovazaal van het hotel waar het gezelschap meestal bijeenkwam. Maar het waren wel mensen met gezag in hun partij. Ze konden het eigenlijk wel goed met elkaar vinden, was steevast de conclusie.

Maar de actuele politiek wist er altijd weer voor te zorgen dat alle toenaderingspogingen tot het voorspel beperkt bleven en het nooit tot de coalitiedaad zelf kwam. Zo zorgde begin jaren tachtig de discussie over het al dan niet plaatsen van kruisraketten met kernkoppen op Nederlandse bodem voor verre verwijdering tussen PvdA en VVD.

Ondertussen nam het chagrijn in die twee partijen over het altijd weer allesbepalende CDA alleen maar toe. De partij werd vergeleken met een bidsprinkhaan. De vrouwelijke versie van dit insect heeft de gewoonte na de paring de manlijke partner op te eten. Het CDA gedroeg zich niet anders. Regeren met het CDA kostte de coalitiepartners bij de volgende verkiezingen heel vaak zetels. Dus mijmerden PvdA, VVD en D66 verder over een toekomst met een regering zonder CDA.

In 1990 was het voorzitter Roel van der Poort van de Jonge Democraten die op het congres van de D66-jongerenorganisatie sprak over samenwerken tussen de rode PvdA, de blauwe VVD en het groene D66. Bij elkaar gemengd leverde dit volgens hem de kleur paars op. Een paarse coalitie moest mogelijk zijn, zei Van der Poort en hij nodigde zijn collega-voorzitters van de jongerenorganisaties van VVD en PvdA uit om gezamenlijk een paars regeerakkoord te schrijven.

Het resultaat werd twee jaar later in een dun boekwerkje met paars omslag gepresenteerd. In het oog springende punten: afschaffing van de Zondagswet, sluiting van de Nederlandse ambassade bij het Vaticaan, vervanging van het ‘God-zij-met-ons’ op de gulden (de euro moest toen nog komen) door de leuze ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’ en een belasting- en sociaal zekerheidstelsel waarbij het individu het uitgangspunt vormde.

Het Paarse regeerakkoord van de jongeren was zo beladen dat de politieke leiders van PvdA, VVD en D66 het niet persoonlijk in ontvangst durfden te nemen. Zij lieten het graag over aan hun plaatsvervangers.

Hans van Mierlo, fervent voorstander van een PvdA-VVD coalitie, wist het toen al zeker: vanuit PvdA en VVD zelf zou de CDA-loze samenwerking niet komen. Deze moest geforceerd worden. En dat kon na de spectaculaire verkiezingen van 1994 waarbij het CDA 20 van zijn 54 zetels verloor, de PvdA 12 van de 49 zetels inleverde, de VVD met negen zetels klom naar 31 en D66 de grote overwinnaar was met een verdubbeling van 12 naar 24 zetels.

De uitslag betekende tevens dat zonder D66 geen meerderheidscoalitie gevormd kon worden. D66-leider Van Mierlo was zodoende spelbepaler en wilde maar over één coalitie praten: PvdA-VVD-D66.

Hij dwong de klassieke tegenpolen PvdA en VVD aan tafel. Het leverde na 111 dagen formeren op 22 augustus 1994 het eerste Paarse kabinet op onder leiding van PvdA-leider Wim Kok. Bij zijn aantreden had de nieuwe minister-president twee boodschappen. Eén: hij zou premier van alle Nederlanders zijn. Twee: het was een gewoon kabinet. Geen anti-CDA-ressentimenten dus. Nederland kreeg een kabinet dat op kordate wijze de problemen zou gaan aanpakken.

De uitbundige economische groei zorgde er de eerste jaren voor dat de problemen hanteerbaar waren. ‘Het geld klotst over de plinten’, was toen een gevleugelde uitdrukking. De Paarse combinatie koerste op de neo-liberale wind die door heel West-Europa woei. In 2002 concludeerde de Leidse bestuurskundige Jouke de Vries in zijn boek ‘Paars en de managementstaat’ dat het eerste kabinet-Kok op de meeste terreinen een voortzetting was van het beleid dat onder leiding van CDA-premier Lubbers de twaalf jaar ervoor was gevoerd. En het door het CDA beheerste maatschappelijk middenveld dat opzij gezet diende te worden? De Vries in zijn boek: „De relaties tussen de staat en de belangengroepen herstelden zich na de machtswisseling van 1994 razendsnel.”

Illustratief voor het bijzondere verbond was dat de politici van PvdA en VVD bij het aantreden van het eerste paarse kabinet niet spraken over een akkoord maar over een contract. Van een gezamenlijke visie was nauwelijks sprake. Er werden zaken gedaan, en problemen door het overvloedig aanwezige geld afgekocht. Paars I leidde vier jaar later zodoende haast vanzelfsprekend tot Paars II onder aanvoering van opnieuw Wim Kok.

Macht went, ook als een geen christen-democraten bij zijn betrokken. Het door de politieke tegenpolen PvdA en VVD gedomineerde ‘zakenkabinet’ leidde tot een afstandelijk, technocratisch bestuur. Het vele geld verblindde. Terwijl het kabinet zich wentelde in de positieve macro-economische kerngegevens groeide in het land de onvrede over de negatieve kanten van de multiculturele samenleving, de wachtlijsten in de zorg, de problemen in het onderwijs en het verdwijnen van de menselijke maat in de maatschappij. De afstraffing van de kiezer volgde op 15 mei 2002: PvdA: min 22 zetels, VVD: min 14 zetels, D66: min 7 zetels. Het land was onder leiding van Pim Fortuyn in opstand gekomen tegen de „puinhopen van Paars”.

Het likken van de wonden duurde tien jaar. Na de verkiezingen van 2010 ondernamen VVD, PvdA, D66 en GroenLinks nog even een poging om tot een ‘paars-plus’ combinatie te komen, maar deze strandde na twee weken onderhandelen omdat VVD en PvdA het niet eens werden over de omvang van de bezuinigingen. Vol overtuiging maakte VVD-leider Rutte de overstap naar het CDA en de PVV.

Deze vluchtweg is sinds de verkiezingen van 12 september afgesloten. De grote winnaars, VVD en PvdA, zijn net als in 1994 tot elkaar veroordeeld. Niet door een derde niet te negeren partij zoals destijds D66, maar door de kiezer die met zijn stemgedrag elke andere werkbare meerderheidscoalitie onmogelijk heeft gemaakt. Zo stevenen de rechtse VVD de linkste PvdA af op wederom een contractcoalitie. En het woord Paars? Dat wil niemand meer horen.