De Kamer kiest zijn eigen voorzitter

De Tweede Kamervoorzitter is niet meer automatisch van de grootste partij. Kiezen de parlementariërs morgen Arib (PvdA), Van Miltenburg (VVD) of Schouw (D66)?

Den Haag - De schilderij van vertrekkende Tweede Kamervoorzitter Gerdi Verbeet wordt in de oude zaal van de Tweede Kamer onthuld - Pierre Crom
Den Haag - De schilderij van vertrekkende Tweede Kamervoorzitter Gerdi Verbeet wordt in de oude zaal van de Tweede Kamer onthuld - Pierre Crom

Premier Theo Heemskerk moest in 1911 zelf de Troonrede voorlezen. Koningin Wilhelmina kwam niet. Aanleiding was de herbenoeming van graaf Van Bylandt als voorzitter van de Tweede Kamer. Volgens de vorstin was de CHU’er niet geschikt; als voorzitter slaagde hij er onvoldoende in om de orde onder met name de socialisten te bewaren. Een jaar later werd de wens van de koningin gehoord en nam de katholiek Van Nispen tot Sevenaer het voorzitterschap over. Wilhelmina kwam weer naar de Ridderzaal.

Zo hoog als in 1911 zullen de gemoederen morgen niet oplopen als de Tweede Kamer over het voorzitterschap stemt. Maar sinds de Kamerleden zelf hun voorzitter kiezen, is de uitkomst moeilijker dan ooit te beïnvloeden. De keuze van een voorzitter is sinds tien jaar een echte verkiezing. Kandidaten schrijven een sollicitatiebrief en moeten tijdens een zitting van de Kamer vragen beantwoorden. Na één of meer stemronden wordt duidelijk wie de winnaar is.

CDA’er Piet Bukman was in 1996 een van de laatsten die op de voorzittersstoel belandden door afspraken tussen ‘de grote partijen’. De voorkeur van de Kamer ging destijds uit naar ondervoorzitter Ali Doelman-Pel (CDA), die veel meer ervaring had als Kamerlid.

Een groot succes werd het voorzitterschap van Bukman niet, maar dat wil niet zeggen dat er uit achterkamertjes geen goede voorzitters kwamen. KVP’er Frans-Jozef van Thiel streefde midden jaren 60 als voorzitter naar meer openheid en minder decorum, vertelt parlementair historicus Carla Hoetink: „Hij besloot niet langer gekleed te gaan in rokkostuum en maakte een einde aan de gewoonte om met cortège [begeleiding] de Tweede Kamer binnen te komen, zoals rechters in de rechtbank.”

Parlementair historicus Bert van den Braak noemt een ander voorbeeld van Van Thiels vernieuwingsdrift: „Hij liet integrale televisie-uitzendingen toe.”

Ook de sociaal-democraten Anne Vondeling en Dick Dolman waren beeldbepalend voor de Kamer. Inzet van Vondeling was vooral om van de Kamer „een leeuw” te maken in plaats van „een lam”. De Fries, van 1972 tot 1979 voorzitter, zorgde ervoor dat Kamerleden ondersteuning kregen van betaalde medewerkers.

Onder diens opvolger Dolman haalde de Tweede Kamer voor het eerst in decennia een krachtig onderzoeksinstrument van stal: de parlementaire enquête. Vanaf 1983 onderzocht de Tweede Kamer het RSV-schandaal, waarbij miljarden aan staatssteun waren verdwenen. „De conclusies van de enquête waren ook voor het parlement vernietigend”, zegt Hoetink. Dolman leidde in de nasleep van de enquête een kritisch onderzoek naar de werkwijze van de Kamer. Gevolg was onder meer dat alle Kamercommissies een professionele staf kregen.

Dolman bleef voorzitter toen zijn PvdA niet langer de grootste was. Het CDA eiste destijds het Kamerlidmaatschap niet op. Geleidelijk aan begon het parlement zich ongemakkelijk te voelen met het automatisme dat de grootste partij de voorzitter levert. Jeltje van Nieuwenhoven was van 1998 tot 2002 de laatste voorzitter die door de grootste partij (PvdA) naar voren geschoven mocht worden. In 2002 werd Frans Weisglas voorzitter en die verkiezing was in twee opzichten opmerkelijk. Hij was Kamerlid voor de VVD, toen in grootte de derde partij. En zijn fractie wilde dat Annemarie Jorritsma voorzitter werd.

Het jaar 2002 markeerde nog een andere omslag. Na de zakelijke jaren 90 kregen Kamervoorzitters op de golven van de Fortuyn-revolte te maken met ruig populistisch taalgebruik. Stelde Weisglas zich nog streng op, onder Gerdi Verbeet (vanaf 2006) werden de parlementaire mores losser. „De zaken waarvoor Weisglas destijds ingreep” zegt historicus Hoetink, „zouden nu gezien worden als kinderachtig geneuzel.”