Conciërges

Binnenlanders vragen aan buitenlanders: ‘Dat zal allemaal wel zo zijn, maar mis je Amsterdam niet?’ Wat ze eigenlijk willen weten is: ‘Mis je ons niet?’ Waarop het antwoord is: ‘Ja, natuurlijk mis ik Amsterdam.’ Hier kan de binnenlander mee naar huis. Hij kan lekker slapen en vooral ophouden met zich afvragen of hij toen niet toch die kans had moeten pakken om naar het buitenland te gaan.

‘Maar in Parijs heb ik een conciërge met een wrat op haar kin (altijd van gedroomd), vieze koffie op verwarmde terrassen (charmant) en de Seine.’ Wat hier eigenlijk staat is: ‘Maar in Parijs heb ik het beter. Nee ik mis Amsterdam helemaal niet’.

Dat valt alleen niet uit te spreken. Jij weet dat het niet waar is, en dat je alleen maar meedoet met de mensen die denken dat het waar is, omdat je nou eenmaal in het buitenland woont, en de binnenlander wil het niet horen, zo’n verkapte afwijzing die om een harde tegenaanval roept. Dat brengt alleen maar verdere verwijdering: ‘Hij is duidelijk niet een van ons. Hier nooit gelukkig geweest en daar ondertussen de koning uithangen. Pff. De stakker. Ze moesten daar ’s weten.’

Maar geen van beiden zegt iets. Liever blijven ze stil. Wellicht zijn de gedachten van de binnenlander blijven liggen op het glinsterende water van de Seine. Hij kijkt peinzend naar de lucht. Dikke druppels vallen naar beneden. Het terras wordt opgedoekt. De buren op de stoep verdwijnen achter gesloten deuren. Eenmaal thuis steekt hij de sleutel in het slot. Wat zou zo’n conciërge allemaal doen?

De buitenlander kijkt naar dezelfde lucht. Mensen om hem heen schuilen onder overdekte en verwarmde terrassen. Als hij de code van de voordeur intoetst ziet hij door het raampje zijn conciërge achter de tv zitten. Ze ziet hem niet. Ze ziet hem eigenlijk nooit voorbijlopen. Peinzend kijkt hij over haar schouder mee. Een Hollands landschap met hoge masten komt op het beeldscherm voorbij. Een regendruppel hangt aan zijn neus. Hij veegt hem snel weg.

‘U ook een goedendag conciërge!’