Afghanistan gaat terug naar de afgrond

De illusie dat de NAVO Afghanistan stabiel achter laat is begraven. Na 2014 dreigt de oude chaos.Floris van Straaten

Wie in het voorjaar van 1994 een bezoek bracht aan het Nationaal Museum in Kabul sprongen de tranen in de ogen. Onderdirecteur Najibullah Popal was daar, bijgeschenen met een gaslamp door een medewerker, in het halfdonker bezig de ene na de andere kist te controleren, waarin de kunstschatten uit voorzorg waren weggestopt wegens gevechten in de omgeving. Veel kisten bleken leeg, geplunderd door de mujahedeen toen zij het gebouw in handen hadden: weg nationaal erfgoed. Alsof dat nog niet genoeg was, volgde enkele jaren later de furie van de Talibaan, die veel voorwerpen vernietigden omdat ze strijdig met de islam zouden zijn.

Vorige week was er eens goed nieuws uit Kabul. De Afghaanse hoofdstad krijgt een nieuw museum, ontworpen door een Spaanse architect. Het moet de resterende kunstschatten uit het nationaal museum herbergen. Weliswaar is de financiering nog niet rond maar daaraan valt wel een mouw te passen, te meer omdat de Amerikanen al vijf miljoen dollar hebben toegezegd. Niet onbelangrijk detail: het gebouw zal van de modernste beveiliging worden voorzien, in de hoop dat ook toekomstige generaties kunnen genieten van het beste wat hun land in het verleden heeft voortgebracht.

Het zou een fraai symbool zijn: een geteisterd nationaal museum dat als een feniks uit zijn as herrijst en als bindend element fungeert in een land dat nog altijd weinig samenhang vertoont.

Maar de realiteit van dit moment is totaal anders. Van de ambitie uit 2001 om een functionerende democratie van Afghanistan te maken is weinig terecht gekomen. Politieke partijen zijn er niet in het parlement, uit vrees dat er dan te veel ruzie komt. Zelfs een volkstelling, waaruit zou blijken hoe de verhoudingen tussen de verschillende etnische groepen liggen, durft de regering niet te houden.

Ook na elf jaar NAVO-bemoeienis blijft de greep van de regering van president Hamid Karzai op het land beperkt, vooral buiten de steden. De regering kan bij lange na haar eigen broek niet ophouden, noch in militair opzicht, noch economisch. Volgens de grondwet moet Karzai over twee jaar aftreden, maar niemand weet hoe het daarna verder moet. Serieuze opvolgers hebben zich nog niet gemeld.

Veel Afghanen denken dat hun land na het vertrek van de Amerikanen en hun bondgenoten – eind 2014 – opnieuw zal afglijden naar een bloedige burgeroorlog. Dat ze weer zullen zuchten onder het juk van meedogenloze en zelfzuchtige krijgsheren of, nauwelijks verkieslijker, van de Talibaan. Net zoals dat gebeurde in het decennium na het vertrek van de door de meeste Afghanen gehate Russische bezetters in 1989, eerst onder de mujahedeen en vervolgens onder de Talibaan.

De afgelopen jaren hielden Amerikaanse generaals de bevolking voor dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Ze waren immers druk bezig een stevig Afghaans leger op te leiden waartegen de Talibaan geen schijn van kans zouden hebben. Vorige week viel dat verhaal echt niet meer vol te houden, toen de NAVO bevestigde dat buitenlandse troepen minder vaak samen op patrouilles zullen gaan met Afghaanse collega’s. Niet omdat de Afghanen inmiddels op eigen benen kunnen staan – dat kunnen ze nog lang niet volgens de meeste Afghaanse officieren – maar uit angst dat er nog meer buitenlandse militairen door Afghaanse collega’s zouden worden gedood.

Dat laatste is dit jaar al 51 keer gebeurd en daardoor moest de NAVO iets doen. De maatregel is tijdelijk, onderstrepen NAVO-militairen. Maar er blijkt uit dat er iets heel fundamenteels ontbreekt aan beide kanten: vertrouwen. „Dat kwam als een grote klap”, zegt Candace Rondeaux, vertegenwoordiger van de gerespecteerde denktank International Crisis Group in Kabul. „Als Amerikaanse militairen niet eens meer met Afghaanse collega’s durven samen te werken, kun je alle vooruitgang wel vergeten.”

Veel Afghanen zijn teleurgesteld dat de Amerikanen er niet in zijn geslaagd de Talibaan definitief op de knieën te dwingen. Ook de ‘surge’ onder president Obama, waarbij op het hoogtepunt ruim 100.000 Amerikaanse militairen werden ingezet, heeft dat niet bereikt. Weliswaar hebben de Talibaan vaker dan vroeger hun toevlucht moeten nemen tot terroristisch getinte acties in plaats van meer grootschalige operaties, maar ze zijn nog springlevend. Osama bin Laden mag zijn geliquideerd, de mysterieuze Talibaan-leider Mullah Omar is er nog. De extra surge-militairen niet: vorige week maakt het Witte Huis bekend dat ze allemaal intussen weer thuis zijn.

Het geweld houdt intussen aan, zowel tegen buitenlanders als tegen Afghanen. Vorige week werden 12 mensen – acht buitenlanders en vier Afghanen – gedood in een bus in Kabul. Het werk van Hizb-i-Islami, dezelfde organisatie die in de jaren ’90 verantwoordelijk was voor bombardementen die Kabul voor een belangrijk deel verwoestten. De NAVO doodde in de provincie Logar acht hout sprokkelende vrouwen, die zich iets te dicht ophielden bij rebellen. Twee weken geleden onthoofdden de Talibaan in de zuidelijke provincie Helmand zeventien dorpelingen, die de euvele moed hadden gehad op muziek te dansen.

Het pessimisme van Afghanen stoelt niet alleen op het aanhoudende geweld. Veel vertrouwen in de regering van Karzai hebben ze evenmin. In de loop der jaren is de geloofwaardigheid van Karzai, in 2001 door de VS naar voren geschoven, gestadig gedaald, ook omdat bij zijn herverkiezing in 2009 massale fraude werd geconstateerd. Criminele netwerken zetten de regering moeiteloos naar hun hand, al naar gelang via steekpenningen of dreigementen. Het politieapparaat is door en door corrupt. Er valt zoveel te verdienen als corrupte politieman dat voor sommige lucratieve functies omgerekend 50.000 dollar moet worden betaald aan superieuren om ze in de wacht te slepen. Sinds 2007 is de corruptie volgens Integrity Watch Afghanistan dramatisch toegenomen.

De somberheid omtrent de toekomst creëert een eigen, onwenselijke dynamiek. Zo hebben mensen de neiging sterker op de eigen etnische groep terug te vallen. Daardoor steken etnische tegenstellingen weer de kop op. Nu de buitenlandse militairen zich opmaken om te vertrekken, proberen vooral Pashtun, ook wel Pathanen genoemd, en Tadzjieken zoveel mogelijk invloedrijke posities in de regering en de strijdkrachten te verwerven.

President Karzai, zelf behorend tot de Pashtun, zou daarom ook de chefstaf van het Afghaanse leger, de Tadzjiekse generaal Bismillah Khan Mohammadi twee jaar geleden uit zijn functie hebben gezet. Uit angst voor een staatsgreep, nadat Khan nogal veel Tadzjiekse officieren om zich heen had verzameld. Maar Karzai durfde het niet aan de generaal af te danken. Daarom werd die eerst minister van Binnenlandse Zaken en nu staat hij op de nominatie voor een ministerschap op Defensie.

Intussen zijn naar verluidt veel van de groeperingen uit de tijd van de mujahedeen, zoals Hizb-i-Islami (Pashtun), Jamiat-i-Islami (Tadzjieks) en Hezb-e-Wahdat (Hazara ) druk bezig zich te herbewapenen.

Veel mensen uit de middenklasse in Kabul en andere steden proberen voor de zekerheid alvast iets te regelen in het buitenland, uiteenlopend van het parkeren van geld op buitenlandse bankrekeningen tot het bemachtigen van buitenlandse paspoorten dan wel ‘green cards’ voor de VS. Als ze inderdaad zouden vertrekken dreigt Afghanistan, net als in de jaren ’90, te verpauperen. De vooruitgang van de laatste jaren op het gebied van onderwijs, volksgezondheid en vrouwenemancipatie dreigt teniet te worden gedaan.

Is er dan geen sprankje hoop en stevent Afghanistan onafwendbaar af op een nieuwe uitslaande brand en hebben elf jaar buitenlandse hulp ten koste van ruim 3.000 doden aan westerse zijde en al die honderden miljarden dollars die er in het land en zijn verdediging zijn gepompt dan geen enkel verschil gemaakt?

Zo zwart hoeft het niet per se uit te pakken. Onvermijdelijk is een nieuwe burgeroorlog niet. Zowel het Westen als de Talibaan hebben lessen geleerd. Aan beide kanten groeit het besef dat ze het maar beter op een akkoordje met elkaar kunnen gooien, omdat ze elkaar toch niet definitief kunnen verslaan. De aanwijzingen nemen toe dat de Talibaan – althans een deel van hen – bereid zijn te praten over vrede. Bij voorkeur met de Amerikanen en als het niet anders kan misschien ook met Karzai. Ondanks een mislukte eerste poging eerder dit jaar in Qatar.

„De Talibaan beseffen dat ze niet meer het hele land zullen kunnen controleren en ook Kabul waarschijnlijk niet meer kunnen innemen”, zegt Anatol Lieven, hoogleraar ‘war studies’ aan King’s College in Londen. Lieven heeft deze zomer in Dubai samen met drie andere academici vier voormalige prominenten uit Talibaan-kring ontmoet. Tot hun verbazing kregen ze te horen dat de Talibaan beseffen dat maar 30 procent van de Afghaanse bevolking hen steunt, hoofdzakelijk Pashtun. Zelfs een blijvende aanwezigheid van Amerikaanse bases in het land was geen onoverkomelijk bezwaar, zeiden de Afghanen in Dubai.

Veel houvast bieden zulke uitspraken niet. De identiteit van de vier Afghanen mocht tot geen enkele prijs uitlekken uit angst voor represailles en Lieven wil niet zeggen wie het initiatief nam tot de gesprekken. In hun rapport, dat deze maand uitkwam, verwijzen ze naar hun gesprekspartners als meneer A, B,C en D. En Lieven is de eerste om toe te geven dat er ook veel Talibaan-groepen zijn die niets voelen voor vredesoverleg. Zoals ook in de VS de eensgezindheid over vredesberaad ver te zoeken is. Het ministerie van Buitenlandse Zaken ziet er meer in dan het Pentagon.

Zeer twijfelachtig is ook of het zogenoemde Haqqani-netwerk, dat nauwe banden onderhoudt met Pakistan, tot praten bereid is. De Haqqani’s, die veel recente aanvallen op Amerikaanse doelen op hun naam hebben staan, zijn net op de Amerikaanse lijst van terroristische organisaties beland. Een handicap is ook dat de regering-Karzai nog weinig interesse in vredesberaad toont.

Een andere strohalm waaraan de Afghanen zich kunnen vastklampen is dat het buitenland eveneens leergeld heeft betaald. Toen het zich begin jaren ’90 van Afghanistan afkeerde omdat de Russen weg waren, en het land in een burgeroorlog werd gestort, grepen de Talibaan de macht en kon Al Qaeda zich daar ongestoord nestelen en grote aanslagen op westerse doelen beramen.

„Ik geloof niet dat er een onmiddellijke ineenstorting na 2014 voor de deur staat”, zegt de Duitser Thomas Ruttig van de denktank Afghan Analysts Network. Hij wijst er op dat algemeen wordt verwacht dat de Amerikanen zich ook na 2014 nog militairen zullen blijven inzetten in het land. Ook hebben veel NAVO-staten al aangegeven te willen meebetalen aan het Afghaanse leger en aan ontwikkelingshulp voor Afghanistan.

Onzeker is of ze deze toezeggingen, bij meer economische tegenwind in eigen land, zullen nakomen. Het zou niet voor het eerst zijn dat westerse landen hun beloftes aan Afghanistan niet nakomen. Anderen, onder wie Lieven, putten hoop uit de waardevolle bodemschatten waarover Afghanistan beschikt. Onder meer kopererts, ijzererts, goud en lithium. „Als ze die goed benutten, zou Afghanistan met de inkomsten daarvan voor het eerst sinds mensenheugenis zelfvoorzienend kunnen worden”, zegt Lieven. „Ook de Talibaan zouden daarvan kunnen profiteren. Maar je kunt dat alleen doen als er vrede heerst.”

Helaas is, gelet op Afghanistans martiale verleden, even goed voorstelbaar dat de Afghanen elkaar juist weer in de haren vliegen over de bodemschatten in plaats van die broederlijk te delen. Ook het nieuwe Nationaal Museum, als het er al komt, kan daaraan weinig veranderen.