Mysteries rond de duizend zuilen

Archeologie

Palmyra in Syrië was in de Romeinse tijd een rijke stad. Hoe dat kon, zo diep in de woestijn, is nu pas ontdekt.

Palmyra, Stad van Duizend Zuilen, is nu een indrukwekkende woestijnruïne midden in het door burgeroorlog geteisterde Syrië. Ooit was dit een van de grootste en rijkste steden van het Romeinse Rijk. Tijdens Palmyra’s glorietijd, de tweede en derde eeuw na Christus, passeerden karavanen met honderden kamelen de stad. Ze waren beladen met kleurrijke zijde en geurige kruiden uit India en China. Grote hoeveelheden goud en zilver gingen de andere kant op. Maar Palmyra is een merkwaardig geval. De kleine oase waar Palmyra ooit bij ontstond kon onmogelijk de populatie van een megapolis voeden. Dus wat deed zo’n imposante stad met zuilenboulevards en gigantische tempels midden in de dorre woestijn?

“De omgeving van Palmyra was in de oudheid niet veel anders dan nu; een warme droge steppe waar grootschalige landbouw door de schaarse onregelmatige regenval vrijwel onmogelijk was”, zegt Jorgen Meyer, een archeoloog van de Universiteit van Bergen in Noorwegen. Hoe konden zoveel mensen leven in een gebied dat voorheen alleen bevolkt werd door bedoeïenen? Het Romeinse Rijk was een pre-industriële samenleving. Grootschalige voedselimport was nauwelijks realistisch.”

Om deze vraag te beantwoorden richtten Meyer en zijn collega’s zich niet op Palmyra zelf, maar op de omgeving van de ruïnes, in het bijzonder op een groot gebied ten noorden van de stad dat bekend staat als Jebel Chaar. Uit eerder onderzoek was al bekend dat er in dit gebied enkele kleine nederzettingen waren. De functie van deze nederzettingen was onduidelijk. Dankzij uiterst gedetailleerde satellietfoto’s van het gebied ontdekten de onderzoekers nog veel meer gelijksoortige nederzettingen, niet beperkt tot Jebel Chaar maar ook in aangrenzende gebieden. De afstand tussen de nederzettingen was slechts drie tot vijf kilometer. En er bleken vele van dit soort vergeten dorpjes uit de Romeinse tijd te zijn.

Onder het zand wachtte nog een verrassing. “Tot onze verbazing vonden we bij veel nederzettingen ondergrondse waterreservoirs, zogenaamde cisternen,” vertelt Meyer. “Die leken heel sterk op de modernere systemen voor wateropslag die beschreven worden in oude reisverslagen.” Bij sommige reservoirs vonden de archeologen ook restanten van dammen en lange vangkanalen. Deze kanalen vingen water op uit zogenaamde wadi’s, droge rivierbeddingen waarin na stortregens woeste waterstromen ontstonden omdat de droge grond nauwelijks in staat was iets op te nemen.

Stuifmeelsporen

Dergelijke vernuftige systemen om het schaarse regenwater uit wadi’s op te slaan waren in de oudheid vaker in gebruik bij grote nederzettingen in woestijnachtige gebieden. Het beroemde Petra in Jordanië en Berenice in Zuid-Egypte hadden uitgebreide irrigatiesystemen die op deze manier werkten. Zonder systemen om water te sparen zouden de droge jaren een ramp zijn geweest.

Maar werden de reservoirs ook bij Palmyra gebruikt voor grootschalige landbouw? Stuifmeelsporen van gerst en restanten van uitwerpselen van schapen en geiten bij de ontdekte nederzettingen suggereren dat dit het geval was. Een aanwijzing uit oude teksten maakt de theorie compleet. Import uit de omliggende dorpen was bij wet vrijgesteld van de hoge belastingen die Palmyra hief op alle goederen die de stad in of uit gingen; de stad kon niet zonder de landbouwproducten uit de omgeving.

Nu langzaam duidelijk wordt hoe de inwoners van het machtige Palmyra zich van voedsel voorzagen – in hun nog te publiceren artikel waarschuwen de archeologen naar goed wetenschappelijk gebruik voor het trekken van te vergaande conclusies – rest nog een andere vraag. Hoe kwam het dat Palmyra zich tot een van de belangrijkste knooppunten in de oost-westhandel ontwikkelde? De karavaanroute dwars door de Syrische woestijn van en naar de havens van de Perzische Golf was immers een levensgevaarlijke onderneming. Bovendien was er een alternatieve route in gebruik. Deze ging van de haven van Barbarikon (bij Karachi, Pakistan) over ee naar een haven aan de Rode Zee. Vervolgens reisde men via de Egyptische woestijn en de Nijl naar Alexandrië. De Rode Zee-route lijkt een aantrekkelijk alternatief te zijn geweest; hij was weliswaar langer maar ging grotendeels over water en de af te leggen afstand door de woestijn was veel korter.

Moessonregens

Eivind Seland, een postdoc uit de groep van Meyer, maakte vorig jaar in het tijdschrift World Archaeology een reconstructie van de omstandigheden langs de beide routes. Zijn verrassend eenvoudige conclusie laat zien waarom de Palmyra-route over het algemeen de voorkeur had.

Doordat schepen op de Rode Zee-route door moessonregens pas later in het seizoen konden vertrekken kwamen de goederen pas in het voorjaar bij de Nijl aan. Door laag water in de rivier was deze in de zomermaanden moeilijk bevaarbaar voor grote schepen. Handelaren moesten wachten tot september. De goederen waren dan pas in de herfst in Alexandrië. Dat was precies het moment dat de Middellandse Zee verraderlijk begon te worden en de handel stokte. De Rode-Zee route was vanuit economisch oogpunt dus minder aantrekkelijk dan hij leek.

Via de Palmyra-route arriveerden de goederen juist aan het begin van het zeilseizoen aan de Middellandse Zee. Maar de woestijn was een instabiel grensgebied tussen het Romeinse en het Parthische Rijk. Lokale heersers maakten er de dienst uit. Zij wisten dat er goed te verdienen viel aan de rijk beladen karavanen uit het Oosten. Vooral op de traditionele handelsroute vanuit de haven van Charax Spasinou (vlakbij het huidige Basra in Irak), via het dal van de rivier de Eufraat naar de oude stad Hit werden grote sommen geld geëist voor ‘bescherming’.

Volgens Seland wisten de bewoners van Palmyra echter handig gebruik te maken van de politieke situatie in hun gebied. Van oudsher werd er hecht samengewerkt met zowel met de Romeinen en de Parthen, maar ook met lokale Bedoeïenenstammen. De Palmyrezen waren slimme tussenpersonen. Samen organiseerden ze karavanen inclusief kamelen, begeleiding en bescherming dwars door de woestijn, op ruime afstand ten zuiden van de Eufraat (zie kaart). De vanuit Palmyra georganiseerde professionele karavanen werden al snel een must voor elke handelaar die door de woestijn moest en daarbij de traditionele route via het stroomgebied van de Eufraat wilde vermijden. De route werd immens populair en maakte Palmyra steenrijk.

“Hoewel het veldwerk voor dit project nu is afgerond, zou ik graag nog eens terug gaan,” zegt Meyer. “Ten noorden van Palmyra is nog veel op te graven. We willen onder andere een beter beeld krijgen van hoe de nederzettingen zich in de vroeg-Islamitische periode ontwikkelden. Door de burgeroorlog zijn daarvoor helaas nog geen concrete plannen”.