Hoogmoed

D e Limburgse heuvels zijn een WK-parcours waardig. Met pap in de benen win je niet, in Valkenburg. Maar om nou met Michael Boogerd te zeggen dat de Cauberg de mooiste helling van de wereld is, gaat wat ver. Nooit de Ronde van Lombardije gereden, Michael?

De Cauberg.

Een wat veredelde molshoop met mythische proporties in een land waar boven de rivieren geen puist meer te vinden is. Wel veel wind, alleen maar.

De Cauberg valt pas na de tiende keer als een mes in de benen van de renners. En dan nog vooral in hondenweer. Je hoeft echt geen berggeit te zijn om in Valkenburg te winnen. Alberto Contador komt heus niet weg uit het peloton of uit een vluchtersgroep. Dan heeft de sprinter Oscar Freire meer kans op de regenboogtrui. Of punchers in blakende conditie, zoals Philippe Gilbert en Alejandro Valverde.

Het WK wielrennen knelt.

Landenteams zijn uit de tijd. Ze stroken niet meer met de commercialisering van de wielersport. Je kunt niet verwachten dat Niki Terpstra achter zijn ploegmaat en kopman Tom Boonen aan gaat hengsten in een jump naar de meet. Reken maar dat Niki even verkeerd schakelt of desnoods de ketting eraf knalt.

Terloops, is bondscoach Leo van Vliet gek geworden? Hij heeft vier renners aangeduid als kopman: Bauke Mollema, Robert Gesink, Niki Terpstra en Lars Boom. Daarnaast ook nog Karsten Kroon als captain. Vier kopmannen in de Oranje-equipe: hoogmoediger kun je het niet bedenken. De status van de heren is ook nog meer op gebakken lucht dan op prestaties gebaseerd. Niki Terpstra misschien uitgezonderd.

Zeker in een landenteam kun je maar één kopman hebben met een min of meer gelijkwaardige reservist. Eigenlijk is die laatste er ook al te veel aan. Boonen en Gilbert zullen altijd heersen en verdelen, tot in het verlies. Beiden zien de wereldtitel als grootste triomf van hun ego. En zoals genoegzaam bekend: ego’s laten zich niet temmen.

Een jaar lang zijn renners ploegmaats, slapen, lachen, huilen en drinken met elkaar. En dan op die ene dag van het WK worden het voor even vreemden van elkaar. In die onzin gelooft niemand. Landenteams zijn een relict van het oude wielrennen, van duistere combines. Een WK hoort, zoals alle klassiekers, tussen merkenteams te worden beslecht, niet door opgetuigde tricolores voor een dag.

Overigens is wielrennen een corporatistische sport. Nationaal sentiment doet er voor Nederlanders alleen op Alpe d’Huez toe. Daar kunnen ze in de roes van enige historie een soort van koloniaal instinct botvierden.

„Onze berg in den vreemde.”

Bierpensen als vlag en wimpel.

Die hysterische territoriumdrift vind je minder terug op de Cauberg, al scheelt het weinig in carnaval.

Eigenlijk wordt met het WK in Valkenburg Nederland als wielernatie iets te veel eer aangedaan. Hoezo wielernatie? Waar dan, hoe dan, met wie dan? Zie de bondscoach staan, en je hoopt op een importtreurwilg. Op gebladerte dat in een ver verleden toch iets van zon heeft gekend. Leo van Vliet is in zijn hele habitat nog steeds de wat armetierige knecht, zij het met van die slimme, katholieke oogjes. Overigens zien bondscoaches uit andere landen er niet veel feestelijker uit. De Belg Carlo Bomans verwacht je echt alleen maar als hulpje achter de gehaktmolen van een slagerij in een onooglijk dorp.

Paolo Bettini van de Italianen? Prima marmerkapper in een groeve in Bergamo.

Bondscoaches in het wielrennen dragen hun eigen nutteloosheid uit. Ik hoop dat ik zondag een glimp van seigneur Felice Gimondi mag opvangen.

Op de Cauberg.