Het nieuwe Stedelijk: een badkuip met verrassende contrasten

Vanaf vandaag officieel toegankelijk: de badkuip. Foto NRC / Olivier Middendorp

Het na acht jaar eindelijk helemaal verbouwde Stedelijk Museum, dat vandaag geopend wordt, verenigt oudbouw en nieuwbouw. Bernard Hulsman noemde het afgelopen week in NRC Handelsblad ongenadig botsende tegenpolen, maar het levert binnen ook een verrassende verzoening op, zo blijkt uit het resultaat.

Op het eerste gezicht hebben de architecten zichzelf met hun ferme oplossing in de vingers gesneden, zo schrijft Hulsman:

“Want wie nu vanaf het Concertgebouw naar het Stedelijk Museum gaat, ziet niet alleen het ezelsoor maar ook nog een lelijk zwart ding voor de sneeuwwitte nieuwbouw staan. In de toekomst zal de installatiedoos overigens worden behangen met het logo en aankondigingen van het museum, zodat het een minder lelijk reclametorentje wordt.

Maar bij nader inzien blijkt de doos toch op de goede plek te staan. Want erachter ligt nu een met rode klinkers bekleed plein dat door het torentje gedeeltelijk wordt afgesloten van de drukke Van Baerlestraat. Samen met de curieuze, kolossale luifel van het nieuwbouwdeel zorgt dit voor een beslotenheid en rust die het plein bijna tot voorhal van het Stedelijk maken.”

‘De badkuip’ werd de uitbreiding van het Stedelijk al meteen na de bekendmaking van het ontwerp in 2004 gedoopt, dat is gemaakt door Mels Crouwel en zijn team. Nu de verbouwing van het museum eindelijk klaar is valt er niets anders van te maken.

Is een overlopende badkuip een passende vorm voor een topmusuem?

Hulsman vraagt zich hardop af of een overlopende badkuip een passende vorm is voor een museum dat weer tot de wereldtop wil behoren. Een ander bezwaar van de nieuwbouw is dat aan zijn omhulling wel erg weinig valt te beleven:

“De volkomen gladde gevels maken de nieuwbouw eerder tot een immens industrieel vormgevingsobject dan tot een gebouw waar het oog aan allerlei details blijft haken. Wel zijn de gevels van de badkuip, die bestaan uit 271 panelen van Twaron-vezels, een kunststof die veel lichter maar sterker is dan metaal, schitterend uitgevoerd en superstrak geworden.

Toch blijkt de nieuwbouw nu, onverwacht, ook een contrastrijk gebouw te zijn. Met zijn glazen gevels is de begane grond, waar de toegang, het restaurant en de museumwinkel liggen, volkomen open, terwijl de badkuip met museumzalen erboven juist volledig dicht is. Ook is de nieuwbouw met zijn gevels van kunststof de volkomen tegenpool van het zo veel mogelijk in oude staat herstelde exterieur van de bakstenen oudbouw van A.W. Weissman uit 1895.”

In de toegangshal, die nu aan het Museumplein ligt, botsen de tegenpolen ongenadig op elkaar volgens het oog van Hulsman:

“Wie daar de oudbouw binnen wil, moet een korte trap op waarboven de hoge ruimte wordt begrensd door de schuine, supergladde badkuipwand, de rijk versierde, rechte, voormalige buitenmuur van het oude Stedelijk en een wand bekleed met een druk wandtapijt van Petra Blaisse in zwartwit-tinten.”

Maar dit wordt in de bovenzalen goedgemaakt:

“Crouwel gaf alle bovenzalen, de oude én de nieuwe, soortgelijke maten als die vroeger in de oudbouw en dezelfde parketvloeren en ‘zwevende’ muren die over de plinten heen hangen. Zo gaat op de eerste verdieping nieuw ongemerkt over in oud en vindt er, alweer onverwacht, een verzoening van de tegenpolen plaats.”