Expeditie naar hoogste berg op Borneo

Rond de Kinabalu-berg op Borneo krioelt het momenteel van de Nederlandse biologen. Het lijkt wel alsof er voor elke dieren-, schimmel- en plantenfamilie een onderzoeker naar de Maleisië is afgereisd: de bekerplantexpert, de kikkerdeskundige en slakkenkenner. Elke dag van de expeditie staat in het teken van verzamelen. Overdag plukken en vangen de biologen wat ze kunnen, ’s avonds zijn ze nog tot in de vroege uurtjes bezig om de verzamelde schimmels te drogen, planten plat te drukken en kikkerteentjes af te knippen. Het is de onderzoekers om het DNA te doen. Het doel van de expeditie, die is georganiseerd door natuurhistorisch museum Naturalis en het natuurpark Sabah Parks, is niet zozeer om de lokale biodiversiteit in kaart te brengen, als wel om het raadsel van de Kinabalu te ontsluieren. Met een hoogte van 4.100 meter, is de jonge Kinabalu de hoogste berg in de wijde omtrek. Een groot aantal van de soorten die op de Kinabalu voorkomen is endemisch: ze komen nergens anders voor. Waar komt al dat bijzonders vandaan, willen biologen weten. Zijn het de afstammelingen van oude soorten die vroeger wijd verbreid waren, toen het op Borneo koeler was, of zijn het jonge soorten die recentelijk in het bergmassief ontstonden? Om die vraag te beantwoorden, moet dus het laagland én hoogland bemonsterd worden. Vooral hogerop blijkt er nog veel te ontdekken. “De kikker [op foto 4] is waarschijnlijk een nieuwe soort die ik eergisteren nietsvermoedend opraapte”, schrijft fotograaf en biologiestudent Joris van Alphen in een e-mail. “Zo makkelijk gaat het hier.”Sommige van de hier afgebeelde soorten zijn wijd verbreid, zoals de reuzencicade op foto 3 (Tacua speciosa) en de Aziatische neushoornkever op foto 2 (Oryctes rhinoceros). Om de zeldzame bekerplant (Nepenthes edwardsiana) op foto 1 te fotograferen, moest Van Alphen aanmerkelijk meer moeite doen.“Er zijn maar drie populaties van deze bekerplant bekend”, zegt Van Alphen aan de telefoon vanuit Borneo. Samen met gidsen en twee onderzoekers beklom Van Alphen een bergkam van 3.000 meter. “Eerst baanden we ons een weg door het laagland en regenwoud. Hoe hoger we kwamen, hoe mossiger het werd. Dan waren we plots in het nevelwoud, omgeven door wolken. Pas als je boven die wolken zit zie je de Kinabalu in de verte boven alles uitsteken. Spectaculair.“Voor ons waren hier volgens onze gids pas twee wetenschappers geweest. Dat waren geologen. Alles wat je hier aanraakt is dus nieuw en spannend. Alsof de dagen van ontdekkingsreiziger Alfred Russel Wallace herleven.” De biologen hebben nog tot dinsdag. Dan komt aan het ontdekkingssprookje een einde.
Rond de Kinabalu-berg op Borneo krioelt het momenteel van de Nederlandse biologen. Het lijkt wel alsof er voor elke dieren-, schimmel- en plantenfamilie een onderzoeker naar de Maleisië is afgereisd: de bekerplantexpert, de kikkerdeskundige en slakkenkenner. Elke dag van de expeditie staat in het teken van verzamelen. Overdag plukken en vangen de biologen wat ze kunnen, ’s avonds zijn ze nog tot in de vroege uurtjes bezig om de verzamelde schimmels te drogen, planten plat te drukken en kikkerteentjes af te knippen. Het is de onderzoekers om het DNA te doen. Het doel van de expeditie, die is georganiseerd door natuurhistorisch museum Naturalis en het natuurpark Sabah Parks, is niet zozeer om de lokale biodiversiteit in kaart te brengen, als wel om het raadsel van de Kinabalu te ontsluieren. Met een hoogte van 4.100 meter, is de jonge Kinabalu de hoogste berg in de wijde omtrek. Een groot aantal van de soorten die op de Kinabalu voorkomen is endemisch: ze komen nergens anders voor. Waar komt al dat bijzonders vandaan, willen biologen weten. Zijn het de afstammelingen van oude soorten die vroeger wijd verbreid waren, toen het op Borneo koeler was, of zijn het jonge soorten die recentelijk in het bergmassief ontstonden? Om die vraag te beantwoorden, moet dus het laagland én hoogland bemonsterd worden. Vooral hogerop blijkt er nog veel te ontdekken. “De kikker [op foto 4] is waarschijnlijk een nieuwe soort die ik eergisteren nietsvermoedend opraapte”, schrijft fotograaf en biologiestudent Joris van Alphen in een e-mail. “Zo makkelijk gaat het hier.”Sommige van de hier afgebeelde soorten zijn wijd verbreid, zoals de reuzencicade op foto 3 (Tacua speciosa) en de Aziatische neushoornkever op foto 2 (Oryctes rhinoceros). Om de zeldzame bekerplant (Nepenthes edwardsiana) op foto 1 te fotograferen, moest Van Alphen aanmerkelijk meer moeite doen.“Er zijn maar drie populaties van deze bekerplant bekend”, zegt Van Alphen aan de telefoon vanuit Borneo. Samen met gidsen en twee onderzoekers beklom Van Alphen een bergkam van 3.000 meter. “Eerst baanden we ons een weg door het laagland en regenwoud. Hoe hoger we kwamen, hoe mossiger het werd. Dan waren we plots in het nevelwoud, omgeven door wolken. Pas als je boven die wolken zit zie je de Kinabalu in de verte boven alles uitsteken. Spectaculair.“Voor ons waren hier volgens onze gids pas twee wetenschappers geweest. Dat waren geologen. Alles wat je hier aanraakt is dus nieuw en spannend. Alsof de dagen van ontdekkingsreiziger Alfred Russel Wallace herleven.” De biologen hebben nog tot dinsdag. Dan komt aan het ontdekkingssprookje een einde. Foto’s Joris van Alphen