De adel is een verhaal waar je in en uit kunt stappen

Marjolijn van Heemstra schreef een roman over een zoekende barones. De dood van haar grootvader zette haar ertoe aan in haar eigen adellijke familiegeschiedenis te graven. „Blijkbaar zat het me in de weg.”

Marjolijn van Heemstra
Marjolijn van Heemstra Foto Bram Budel

Op 5 december 1946 werd in Den Haag een pakje bezorgd bij de familie Boer. Er zat een handgranaat in, en een fles benzine. Vader Boer zou in de oorlog twaalf Engelandvaarders hebben verraden en zijn straf zijn ontlopen. Hij stierf meteen, zijn echtgenote en de dienstbode kort daarna. Opdrachtgever van de aanslag was een adellijke officier, kapitein baron F.J.J. van Heemstra. Hij werd opgepakt, betuigde spijt, werd niet vervolgd, maar week toch uit naar Spanje. ‘Bommen-neef’ heet hij sindsdien in de familie, een tikje gekscherend en niet onwelwillend. Overal is wel eens wat.

„Hij is er nogal makkelijk mee weggekomen, vermoed ik”, zegt zijn verre nicht, schrijfster en theatermaakster Marjolijn van Heemstra in een café in Amsterdam-Noord. „Het is nogal wat als je het recht in eigen hand neemt en drie mensen laat ombrengen. In mijn familie zijn veel mooie verhalen, maar dit is een heel naar verhaal.”

De man achter de ‘Sinterklaasmoorden’ is voor Van Heemstra meer dan een verhaal. Ze ziet hem dagelijks als ze naar haar hand kijkt. De zegelring die ze draagt is de zijne. Ze kreeg hem toen ze achttien werd. In de steen is het wapen van de Van Heemstra’s geslepen: een schild met een adelaar, de Fryske Heale Earn.

Over ‘Bommen-neef’ wil Van Heemstra (31) een volgend boek maken. Haar romandebuut kwam deze week uit. Ook dat gaat over de dubbelzinnige verhouding met haar adellijke afkomst. Het is fictie, al is het niet altijd gemakkelijk om hoofdpersoon en auteur, allebei zoekende baronessen, uit elkaar te houden.

In De laatste Aedema staat een geslacht op uitsterven. De laatste schakel heet Loina, en vrouwen kunnen de titel nu eenmaal niet doorgeven. Als Loina’s grootvader de laatste adem uitblaast, besluit ze duizend jaar familiegeschiedenis af te sluiten met een tocht langs haar Friese wortels. Ze stuit op een mysterieuze overgrootmoeder, die heimelijk naar India vertrok, een goeroe achterna, waarna niets meer is wat het lijkt. Zo samengevat lijkt het even de plot van een kasteelroman of een blijspel met verwisselde koffers. Maar de vragen die Van Heemstra haar hoofdpersoon laat stellen zijn ernstig: Hoe ontkom je aan de last van je geschiedenis? En: hoe weet je waar je werkelijk thuishoort?

Geen onbekend terrein. In Van Heemstra’s voorstellingen draait het om dezelfde vragen: wat is vreemd en wat hoort bij je? Het antwoord geeft ze er trouwens niet bij.

Adel is vanouds verbonden met grond. Geldt dat voor u?

„Er is in Friesland alleen nog een oud familiegraf. In veel adellijke families zit een soort heimwee: we horen nog ergens bij. Ik wil niet bij een bepaald stuk grond horen. Het is niet alleen het idee van Blut und Boden wat me niet bevalt. Het kan ook niet in deze tijd waarin iedereen in steden woont en voortdurend op reis is.

„Mijn personage komt erachter dat ze niet wil vastzitten in de mal van haar afkomst, aan haar naam. In haar overgrootmoeder, die alles heeft opgegeven, ontdekt ze een ‘vloeibaar’ deel van haar geschiedenis. Elk mens is voortdurend in beweging, bestaat op duizend manieren. Iedereen die naar je kijkt, ziet iemand anders. Maar dat gebeurt meestal zonder dat je je er bewust van bent.”

U wilt dat juist wel zichtbaar maken?

„In onze familie is het allemaal heel warm en prettig. Je kunt makkelijk verdwijnen in het idee: dit zijn wij. Maar ik wil af en toe voelen dat het alle kanten op kan. Wie je bent in de ogen van een ander, dat intrigeert me.

„Voor mijn voorstelling Family 81 heb ik drie mensen opgezocht die op dezelfde dag in 1981 zijn geboren als ik, op een andere plek in de wereld. Ik wilde ontdekken welke herinneringen en idealen we deelden. Ik vond een jongen in Libanon, een jongen in India en een meisje in Zuid-Afrika.

„Met haar had ik een leuk contact via Skype, maar toen ik daar op bezoek kwam vond ze het te confronterend dat ik als blanke opeens in haar leven stapte en wilde ze geen vragen meer beantwoorden. Dat werd ruzie. In de ogen van het meisje was ik alleen maar wit en kon ik niets van haar geschiedenis begrijpen.”

Het gaat bij u wel vaker over ruzie.

„Ik heb net een week opgetrokken met Garry Davis, een Amerikaan van 91 die na de oorlog zijn paspoort verscheurde en zei: vanaf nu ben ik wereldburger. Over hem ga ik iets doen voor het Ro Theater. Het klinkt nu misschien naïef en oenig, maar hij kreeg veel aanhangers – Camus, Einstein, Eleanor Roosevelt. Hij reist al zestig jaar rond op een World Passport dat hij zelf uitgeeft en het lukt hem nog ook. Kunst en activisme gaan bij hem samen, dat vind ik mooi. Maar hij verweet me ook de hele tijd, dat wij, de jonge generatie, de idealen van zijn generatie niet hebben waargemaakt.”

U schrijft dat iemand van adel ‘een opdracht’ heeft.

„Dat is het idee van noblesse oblige: iets terugdoen voor de gemeenschap in ruil voor je bevoorrechte positie. Maar ik wil liever geloven in een menselijke opdracht: dat je binnen je mogelijkheden iets moet doen voor anderen, want je bestaat bij de gratie van anderen. Dat ik van adel ben is geen groot deel van mijn identiteit, al lijkt het door dit boek misschien zo.”

Waarom dan toch dit boek?

„Blijkbaar zat het me in de weg. Ik ben aan dit verhaal begonnen toen mijn grootvader overleed. Hij had een sterke band met Friesland, hoewel hij er zelf nooit heeft gewoond. Die geschiedenis is al zo lang met zoveel zorg doorgegeven. Het is kennelijk iets groters dan ik dacht. Maar mijn roman had ook over een Marokkaan in Nederland kunnen gaan of over een gelovige in de Biblebelt die zich afvraagt waar hij nu echt bijhoort.”

U heeft uw grootvader wel eens beschreven als een enorme idealist, op het wereldvreemde af, met zijn pogingen om islam en christendom te verzoenen. Hoort het wereldverbeteren niet een beetje bij de bevoorrechte klasse?

„Je lacht erbij alsof het sukkels zijn. Maar dát is noblesse oblige. Je kunt er flauw over doen, maar het is raar als de elite niet probeert iets te betekenen, al is het soms een beetje wereldvreemd. Wat moeten ze dan doen? Aan het zwembad liggen?”

Maar wilt u zeggen dat iemand met oud geld daarom weet wat het beste is voor de wereld?

„Nee, al denken sommige mensen van adel van wel, en een personage in mijn boek, Samson, verheerlijkt dat idee zelfs. Maar voor mij vallen financiële en geestelijke elite absoluut niet samen. Ik ben me bewust van de lelijkheid en alle misstappen van een systeem waarin adel echte macht heeft. Ik ontdekte dat een voorvader van mij een voorvader van Suzanna Jansen [auteur van Het pauperparadijs] heeft berecht en naar de strafkolonie Veenhuizen heeft gestuurd. Ik doe onderzoek naar Suriname, voor een nieuwe voorstelling over kolonialisme, en daar kom ik allerlei familieleden tegen die gouverneur waren. Misschien moet ik wel sorry zeggen.”

In het blad Vogue schreef u dat u zich bij uw eerste bezoek aan de Vereniging voor Jonge Adel thuis voelde, hoewel u zich „niet wilde laten vangen door welke club dan ook” en „het gevoel bijzonder te zijn”.

„Ik merkte dat die mensen iets begrepen van zo’n lange geschiedenis. Niet dat ik met iedereen vrienden ben, maar ik herkende het wel.”

Denken uw ouders er ook zo over?

„Mijn vader wilde helemaal niets met zijn afkomst te maken hebben. Zijn generatie werd volwassen in de jaren zestig en zeventig, waarin een adellijke titel iets was om je voor te schamen. De adel dook na de oorlog weg. Ik denk niet dat hij er spijt van heeft, maar wel – dit vul ik voor hem in – dat de reactie te heftig was. Hij draagt nog steeds geen zegelring, maar is wel geïnteresseerder, ziet de waarde van dingen doorgeven. Dat is iets van de laatste tijd.”

Is er een middenweg tussen een adellijke klasse verdedigen en afvallen?

„Dat is: het gewoon een verhaal laten zijn, waar je in en uit kunt stappen, maar waar je verder geen invloed op hebt. Dat realiseert Loina zich aan het einde. En dat er dingen van zijn overgebleven, aangespoeld, waarvan het zonde is om ze weg te gooien. De eerste versie van mijn boek was karikaturaler. Dat voelde te makkelijk. Nu laat ik rondere personages zien. Misschien is het daardoor ook minder duidelijk geworden wat ik zelf vind. Maar ik wilde ze niet stoer wegzetten, alsof ik erboven sta.”

Zou u willen dat uw zoon een typische Van Heemstra-voornaam krijgt? Feyo, Wido, Schelto?

„Grappig, daar denk ik wel over na, of ik dat binnen nu en niet al te lang zou willen. Mijn kinderen krijgen de achternaam van mijn vriend, bepaald niet adellijk. Maar ik vind het wel mooi als een naam terugkeert in andere mensen. Schelto’s, daar hebben we er heel veel van in de familie. En Schelte’s. Je kunt kiezen.”