Wat wij verloren is tijd

Ook in de nieuwe dichtbundel van Jean Pierre Rawie vliegt de tijd en duurt de eeuwigheid. Oude liefdes zijn er weer, de somberheid en de dood. Wat is er dan veranderd?

In de zomer van 1977 kwam ik in Groningen te wonen, in de smalle Visserstraat. Ik keek mijn ogen uit. Om de hoek, in de Hoekstraat, woonden veel hoeren. Daarachter lag de oude Noorderhaven, met veel oude boten. En pakhuis Gruno. Tegenover mij zat een oude kapper, waar Willem de Mérode vroeger wel geweest was. En schuin tegenover stond een huis waar je soms een vreemde verschijning in en uit zag gaan: een man in een cape, met een flambard op zijn hoofd. Hij leek een ouderwetse romantische dichter te willen imiteren.

Al gauw kwam ik erachter dat hij een ouderwetse romantische dichter was. Op literaire avondjes en festivals trad hij op, met zijn ouderwetse, ironische, studentikoze gedichten over vrouwen en verdriet, drank en somberheid. Hij had een naam die er helemaal bij paste, en het was nog zijn eigen naam ook: Jean Pierre Rawie.

Wij, 18 jaar, keken er wat lacherig naar, als naar een matig toneelstukje van en voor een oudere generatie. Wij waren ook in poëzie geïnteresseerd, maar dan in nieuwe, of andere, of onbekende poëzie. En wij waren natuurlijk minstens zo geïnteresseerd in de nieuwe muziek. De Sex Pistols in Huize Maas! The Jam in de Oosterpoort! XTC in Vera! Als wij dan daarna ’s nachts uit de stad kwamen en het huis van de dichter passeerden, brandden er twee kaarsen in zijn vensterbank.

Niet lang daarna verscheen Rawies eerste bundel: Het meisje en de dood, in 1979. En niet lang daarna begon hij door te breken naar een groot publiek, ook door een paar goed bekeken tv-interviews, en zijn breed uitgemeten medische perikelen, die mooi aansloten bij zijn sterke reputatie van stevig drinkende dichter. Van zijn zes bundels tot en met Geleende tijd (1999) werden 150.000 exemplaren verkocht.

De toon is in de loop der jaren iets minder studentikoos en iets meer bezonken geworden, maar in wezen is er aan deze ouwelijke poëzie niet veel veranderd. De vorm is vast, het klinkt klassiek, het rijmt van alle kanten en het gaat over de grote dingen: de herfst van het leven, het verstrijken van de tijd, de dood.

Zo gaat het ook in zijn nieuwe bundel: De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag. De titel is al meteen de eerste regel van het eerste gedicht. De dichter presenteert ons daar het raadsel van de tijd: hij gaat vaak snel voor ons gevoel, maar tegelijk ook vaak langzaam. ‘Een jaar is zo voorbij, terwijl de uren / elk wel een eeuwigheid lijken te duren, / en morgen wordt als gister en vandaag.’ Je leest het en je knikt maar eens: zo is het helemaal. ‘De mens is niet gelukkig van nature.’ Zeker. ‘En kwelt zichzelf met steeds dezelfde vraag / waarop geen antwoord is.’ Goed gezien. ‘Er valt geen enkel onheil te vermijden.’ Ook goed gezien. ‘En dat de dood komt, is een zekerheid / waaraan je geen gedachte meer wilt wijden.’

Zo volgt de ene gemeenplaats op de andere. Hoe gaat dit wijze vers eindigen? ‘Je raakt de mensen en de dingen kwijt, / tot je het leven langzaam voelt verglijden / en deel wordt van het raadsel van de tijd.’ Met zo’n slot kunnen we allemaal wel leven: doodgaan is onderdeel worden van het raadsel van de tijd. Wat het precies betekent weet niemand, maar het klinkt goed, en geheimzinnig, en er sprankelt nog enige troost in mee.

Omslachtig

Dit soort gedichten willen de mensen dus graag lezen. Ik houd zelf ook wel van algemene waarheden, en af en toe kan ik me ook erg gesteund voelen door de allergrootste tijdloze gemeenplaatsen – maar bij Rawie is het mij al gauw te ouwelijk en te omslachtig. Te prekerig. Teveel tegeltjesspreuken.

Rawie kan mijmeren over jaren die gingen en gaan, hij kan klagen over ‘de urenlange uren’ en hij kan filosoferen over de gedachte dat het leven zomaar voorbij kan zijn: ‘het einde schuilt in ieder ogenblik.’ In Padua bezoekt hij de kerk die aan de Heilige Antonius is gewijd, de heilige voor zoekgeraakte zaken. ‘Het was er druk. De mensen zijn veel kwijt.’ Dat is nog een droge, grappige constatering.

Maar meteen daarna vervalt de dichter weer in zijn ouderwetse toon: ‘Doch van herkrijgen is voor ons geen sprake. / Wat wij verloren zijn is tijd; een feit / dat niets of niemand ongedaan kan maken.’ Had er in dat gegeven (een heilige die kan helpen zoeken naar de verloren tijd) nu niet iets sprankelenders gezeten?

Ik zie niet veel verschil met Rawies vorige bundels. Alles is er weer: de somberheid, de eeuwige gang van de seizoenen, oude liefdes, het oude liedje van vergankelijkheid en onvervuld verlangen. ‘Waar is de sneeuw van het vergane jaar?’ zegt Rawie Villon na.

Nieuwe onderwerpen zijn de dood van zijn moeder en de beroerte die hem getroffen heeft, gevolgd door een vervelende revalidatie en het lopen met een stok. Ook de vaste versvormen zijn er weer, net als de belegen taal (’doch, ‘menigeen’, ‘ocharm’).

Alles steekt strak in elkaar, maar op een paar plaatsen meen ik toch nog een zekere ontspanning te ontdekken. Zoals in het gedicht ‘Aa-kwartier’, waarin hij vertelt over zijn huis en zijn buurt. Het is van hem en het hoort bij hem, maar dan dringt zich toch ook het verleden op. ‘De buurt is minstens evenzeer / het onvervreemdbare domein / van allen die er niet meer zijn, / de buurtbewoners van weleer.’

Verwondering

En dan lopen opeens ook de vroegere bewoners van de Visserstraat zomaar in deze regels mee: ‘Ik hoor hun voetstap, waar ik ga, / als weerklank van de mijne gaan / ‘s nachts in de Visserstraat, de Laan / en langs de kades van de Aa.’ Op zulke plaatsen klinkt iets van verbazing en verwondering door. ‘De tijden schuiven door elkaar’: misschien zit de tijd toch anders in elkaar dan gedacht.

Ook het gedicht over het winterlandschap met schaatsers, gezien vanuit de trein, biedt even zo’n ontsnapping uit de tijd: de wereld zag er uit alsof hij net geschapen was, en boven de witte uiterwaarden scheen de zon ‘alsof zij nimmermeer zou ondergaan’.

Eenzelfde ontsnapping aan de eigen tijd en eindigheid is terug te vinden in enkele van de vertalingen waarmee Rawie zijn bundel besluit.

In het allerlaatste gedicht komt Federico Meninni (1636-1712) aan het woord. Hij weet, net als iedereen, dat hij sterven moet. En hij is het er, net als iedereen, niet mee eens. En hij verdraagt het niet, net als iedereen, dat allerlei zielloze dingen wel mogen blijven voortbestaan: zijn boeken, zijn huis, zijn bed. Toch spreekt daar ook een zekere relativering, en zelfs monterheid uit – in ieder geval uit de vertaling van Rawie.

Wij zijn maar tijdelijke bewoners van de herberg van het leven, of die zich nu in het 17de-eeuwse Napels van Meninni bevindt, of in de 21ste-eeuwse Visserstraat van Rawie.