Verwaande eikel of lieve dichter

De debuutroman van de dichter Ben Lerner is een korte, maar virtuoze en bij vlagen hilarische verkenning van taal, identiteit, perspectief, van de auteur zelf en omstanders. De hoofdpersoon leert gebruik te maken van wat anderen willen zien.

In Vertrek van station Atocha, de debuutroman van de jonge Amerikaanse dichter Ben Lerner, verhuist de jonge Amerikaanse dichter Adam Gordon naar Madrid. Hij heeft een prestigieuze beurs ontvangen voor zijn plan om een lang, met onderzoek onderbouwd gedicht over de Spaanse Burgeroorlog te schrijven.

Maar Gordon is een bedrieger, die zijn tijd vooral besteedt aan het roken van joints, het rondhangen in Parque del Retiro en het Prado, het slikken van antidepressiva en het lezen van de gedichten van John Ashbery.

Zijn uiteindelijke onderzoek is geen gedicht, maar een verslag van zijn belevenissen in de Spaanse hoofdstad; de roman die we in onze handen hebben (vernoemd naar een gedicht van Ashbery uit 1962). Een korte, maar virtuoze en bij vlagen hilarische verkenning van taal, identiteit, perspectief, de auteur zelf en de Spanjaarden om hem heen.

Het leren van een nieuwe taal is een van de moeilijkste dingen die er is. Niet per se vanwege het leerproces zelf, maar vooral vanwege de onzekerheden die ermee gepaard gaan. Ons vermogen om te communiceren, om te duiden en te denken, vormt de basis van onze identiteit. Zodra we beginnen te worstelen met een grotendeels onbekende uitdrukkingsvorm, voelen we ons weer een kind: onmachtig en hulpeloos.

In het begin van zijn onderzoek is Gordons Spaans nog ontoereikend en moet hij terugvallen op de leugen van zijn moeders dood om interessant te blijven voor zijn nieuw gevonden Spaanse vrienden. Alles wat zij tegen hem zeggen, valt bovendien uiteen in diverse, mogelijke betekenissen: ‘Hij zei dat zijn broer of zijn vriend een beroemde fotograaf was, beroemde foto’s verkocht of een beroemde cameraman was.’ Alles krijgt een tweede laag: een gezichtsuitdrukking spreekt hele zinnen, een verandering van toon heeft evenveel inhoud als een betoog.

Maar tegelijkertijd brengt dit ongemak Gordon een inzicht: als onze identiteit grotendeels steunt op iets wat ons is aangeleerd, op iets wat ons in staat stelt verhalen te verzinnen over onszelf en de wereld, dan kun je jezelf talloze keren opnieuw uitvinden. Sterker nog, je kunt gebruikmaken van wat anderen willen zien.

Zowel Gordons hippe vrienden als zijn vriendinnetje Isabel zien in hem een geniale dichter, juist door zijn beperkte vocabulaire. Ze willen zijn gedichten vertalen, introduceren hem in de Madrileense artscene en gaan zelfs met hem naar bed. Zijn complete aantrekkingskracht voor Isabel bestaat uit zijn vaagheid, uit het bedachtzaam uitspreken van quasi-intellectuele nietszeggendheden. Naarmate zijn Spaans verbetert is Gordon steeds banger dat hij ontmaskerd zal worden.

‘Ik realiseerde me met een gevoel van beklemming dat het tot het prozaïsche reduceren van onze interacties en het transformeren van ons pregnante zwijgen tot radiostilte, mijn lichaam onvermijdelijk zou beroven van iedere suggestieve kracht die het daarvoor had bezeten, en dat ze, als we vrijden, niet meer haar eigen vermogen tot ervaring zou ervaren, maar enkel mijn lichaam in al zijn jammerlijke realiteit.’

Gordon ziet nu ook in dat we met onze ver ontwikkelde taal, intelligentie en zelfbewustzijn de wereld beter lijken te begrijpen, maar die in wezen juist steeds verder op afstand houden. Hij is onuitstaanbaar zelfbewust: elk gevoel of gedachte wordt geanalyseerd, en elke analyse wordt op zijn beurt weer geanalyseerd. Voor aanwezigheid op feestjes met mooiere mensen heeft hij een speciale gezichtsuitdrukking ontwikkeld, met opengesperde ogen en een kleine glimlach ‘die mijn amodieuze kapsel en kleding de kracht gaven van een protest.’

Alles wat hij doet is uitgedacht, vaak opgevoerd voor een onzichtbaar publiek. Door deze opeenstapeling van lagen komt de wereld (en zijn ervaring ervan) ver van Gordon af te staan:

‘Veel mensen gebruikten drugs om zich te verwijderen van hun ervaring, maar omdat ik me, zolang ik me kon herinneren, altijd al van mijn ervaring verwijderd had gevoeld, gebruikte ik het als middel om het profijt van eerdergenoemde verwijdering te versterken, en ervoer ik het zo als een versterking van afwezigheid, maar alleen op mijn geijkte afstand van mijzelf […]’. Deze apathie is een kenmerk dat voor Gordons hele generatie lijkt te gelden. Zijn vriend Cyrus vertelt in een chatgesprek getuige geweest te zijn van een verdrinkingsongeluk tijdens een vakantie in Mexico. Na afloop was zijn vriendin geschrokken, maar ook opgewonden omdat ze een ‘echte’ ervaring hadden gehad.

Gordon zelf is gefascineerd door mensen die een ‘diepgaande kunstzinnige ervaring’ kunnen hebben, zoals de man die huilt bij het schilderij Kruisafneming van Rogier van der Weyden in het Prado. Tegen het einde van het boek loopt hij verdoofd door het door terroristen gebombardeerde Madrid en de daaropvolgende politieke protesten.

De belangrijkste vraag is wat er van de waarde van poëzie en proza overblijft als taal zo’n verraderlijk instrument blijkt te zijn. Gordon realiseert zich dat de saaie, gebeurtenisloze alledaagsheid niet te beschrijven is omdat die geen inhoud heeft, terwijl de spannende momenten van het leven een soort voorgekookte literatuur lijken, waardoor ze eveneens waardeloos worden.

Is dit ook een generatieprobleem?

‘Ik vroeg me af of deze onderlinge onvergelijkbaarheid van taal en ervaring nieuw was, of mijn ervaring voortkwam uit een beschadigd leven van pornografie en bevoorrechting, of er gelukkige tijden waren waarin de sterrenhemel de kaart was van alle mogelijke paden, of dat deze indeling van ervaring in wat niet benoemd kon worden en wat niet doorleefd kon worden juist de ervaring wás, voor alle mensen en voor alle tijden. In beide gevallen, beloofde ik mezelf, zou ik nooit een roman schrijven.’

Het mooie is natuurlijk dat we dit in een roman lezen en dat het Gordon juist in deze fase van het ‘onderzoek’ lukt om deze scheiding te doorbreken. Hij weet alledaagse, ogenschijnlijk saaie gebeurtenissen en personages te verlevendigen en het lyrische cliché tastbaar te maken. Zo houdt hij ons gevangen in een spel van tegenstellingen en verwarring.

We lezen over het personage Adam Gordon, maar zien op de auteursfoto de schrijver Ben Lerner ons verwaand en uitdagend aankijken, met opengesperde ogen en een kleine glimlach. De schrijver die zélf ook in 2004 met een Fulbright-beurs als dichter naar Madrid vertrok. Is Adam Gordon eigenlijk Ben Lerner? En is Gordon/Lerner een irritante, pretentieuze eikel of toch een getalenteerde, zachtaardige dichter? Steeds wanneer je Vertrek van station Atocha lijkt te begrijpen of een oordeel denkt te kunnen vellen, duikt het weer weg uit je vizier.

Uiteindelijk zegt een Spaanse vriendin tegen Gordon: ‘Wanneer houd je nu eens op met pretenderen alsof je alleen maar pretendeert een dichter te zijn?’ Zo sluit Lerner zijn indrukwekkende debuutroman af met een onverwachtse happy ending en laat hij ons achter met een knagende honger naar meer.