Blijf met je tengels van mijn prul af

Ernst Bergboer: Het prullarium. Kok, 159 blz. € 14,90 ****

De miljoenenaankoop van Mondriaans schilderij Victory Boogie Woogie. Rita Verdonk. Zekeriya Gümüs. De ‘denk anders’-clip van De Wereld Draait Door met daarin de mensen ‘die Nederland verder brachten’ (aldus Jeroen Krabbé in het begeleidende commentaar). Hans Christian Andersens De nieuwe kleren van de keizer. De roep om ‘de’ culturele canon en een Nationaal Historisch Museum (beiden non-existent).

Zo maar een paar associaties die Het prullarium opwekt, een kleine roman van een onbekende auteur, verschenen bij een uitgeverij die gespecialiseerd is in boeken over godsdienst en kerk, en die dan ook, voor zover te achterhalen, stilletjes voorbij voer aan de boekenredacties in het land.

Ten onrechte, want alhoewel bij Bergboer zeker niet alles goed is gegaan, heeft hij toch een hoogst verbeeldingsvol en origineel debuut afgeleverd. Het draait in zijn roman om ‘Het Prullarium’, een slechts vagelijk omschreven snuisterij dat op zekere dag door de markante zonderling Tjalk Zwerk op de kop wordt getikt op een rommelmarkt.

Zwerk is aanvankelijk de enige die iets in het voorwerp ziet, wat op slag verandert wanneer ‘De Spicht’, een populistische politica die op de bovengenoemde Verdonk lijkt geënt, het bombardeert tot hét erfgoed van de stad waar de vertelling zich afspeelt. De Spicht heeft haar succes te danken aan haar strijd tegen de ‘Hunnen’ (laat Jan Cremer het niet horen): mensen van buitenaf die in haar verdorven geest de bron zijn van alle onheil in de stad.

Het prullarium is eigenlijk een sprookje over het populisme, waarin met grove maar vermakelijke streken de geestesvernauwing van een volk wordt neergezet. Wie even een andere kant opkijkt bij de introductie van twee Italianen die ‘Gorgon’ en ‘Zola’ heten, zal erachter komen dat Bergboer de mosterd niet alleen bij de Donald Duck heeft gehaald, maar ook bij iemand als Elsschot.

Er zijn fijne zinnen genoeg in het boek te vinden. Zwerk wil zijn gekoesterde prul niet afstaan, en denkt dan: ‘Het zou wat! Dat ze er met hun tengels van afbleven!

Hij zag het al voor zich: kleine kinderen met plakkerige handjes, dronkaards en zwervers met groezelige klauwen, een ziekig en snipverkouden wijfje met perkamenten palmen vol bacillen, reikend naar een stenen sokkel om zijn Prullarium aan te mogen raken, eventjes maar. Hij huiverde.’

Soms zit de zwier er bij Bergboer wel erg in en verliest zijn vertelling aan scherpte, maar een vrolijk stemmender tijdskritiek zal ondanks dat moeilijk te vinden zijn.