Noodkreet

Mijn vrouw is dood heet het boekje dat Dick Houwaart onlangs publiceerde bij uitgeverij Ipenburg in Elburg. Het bracht bij het publiek een golf van emoties teweeg, vooral nadat Houwaart erover geïnterviewd was.

Het is een dun boekje, 39 pagina’s met een grote letter, en de lezer moet geen literair kleinood verwachten, maar toch is het begrijpelijk dat het zoveel reacties oproept. Het is de rauwe noodkreet van een 85-jarige man die zijn vrouw na een belabberde tocht langs ziekenhuizen,verzorgingshuizen en verpleeghuizen zag sterven.

Er ging in de beleving van Houwaart veel mis in al die huizen, zoveel zelfs dat hij tegen de IKON-radio zei: „Ik heb tegen mijn huisarts gezegd: al moet ik kruipend door mijn appartement lopen, je brengt me niet naar een verpleeghuis.”

„Maar er moet in Enschede toch een pracht van een verpleeghuis zijn”, zei de interviewer.

„Dat zal best”, zei Houwaart, die al een euthanasieverklaring had getekend, „maar ik ga er niet heen. Dan spring ik nog liever van het balkon.”

Zijn verhaal maakt des te meer indruk omdat Houwaart een mondig man met belangrijke functies is geweest. Hij leidde de afdeling actualiteiten van de NCRV-tv (ik herinner me hem nog goed al presentator), was hoofdredacteur van het Dagblad van het Oosten en hoofd van de afdeling voorlichting van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Hij klinkt ook in het interview nog weerbaar genoeg om voor zichzelf en zijn naasten op te komen, maar het heeft hem niet mogen baten. Wat ging er precies mis?

De gezondheid van zijn vrouw verslechterde snel nadat zij een herseninfarct had gehad en diabetes kreeg. Haar huid wordt pijnlijk dun, maar een dermatologe schrijft alleen vaseline voor. „Dat is de enige échte misstand geweest”, aldus Houwaarts zoon, die arts is. Ik haal dit citaat niet uit het boekje, maar uit het IKON-interview. Volgens deze zoon kwamen de andere problemen vooral voort uit misverstanden: slechte communicatie, te weinig aandacht.

Het is een analyse die in het boekje ontbreekt, omdat Houwaart zich begrijpelijkerwijs door zijn emoties laat meeslepen. Achteraf lijkt hij het met zijn zoon eens te zijn, in zijn naschrift schrijft hij dat het hem er niet om gaat „iemand of iets te verwijten”. Hij constateert dat in de tehuizen „een enorme druk” ligt op het personeel. „Wij hebben samen ervaren dat er soms helemaal geen ‘handen aan de bedden’ zijn. Tegelijk ervaar je een volledige afhankelijkheid. Je verliest de regie over je leven. Nu ik alleen ben, ervaar ik de angst voor dit vooruitzicht.”

Wat het boekje zo indringend maakt, zijn de details. De armoedig ingerichte kamertjes in sommige tehuizen. De man die aan Houwaart vraagt hem te helpen met zijn urinezak, want hij zit al zo lang te wachten. Houwaarts vrouw die in een nacht drie keer had gevraagd haar ‘te keren’; de zuster had het de derde keer geweigerd. De foute rolstoel. De stoma die niet vervangen werd en de volgende dag losging, „een verschrikkelijke, vernederende ervaring”.

Verder zijn er de tegenstrijdige adviezen over zoiets essentieels als het amputeren van een been.

Zo zie je het echtpaar Houwaart dolen door de gangen van de Nederlandse gezondheidszorg. Van die ene misstand naar al die andere misverstanden. Het maakt dit boekje tot één groot hartstochtelijk pleidooi voor thuiszorg. Maar die zal dan wel beter uitgerust moeten worden dan al die tehuiszorg.