De koopkracht daalt, maar er is reden tot optimisme

Er komt voorlopig nog geen einde aan de magere jaren. Uit de Macro Economische Verkenningen (MEV), het begeleidende document bij de Rijksbegroting, blijkt dat de economie volgend jaar met driekwart procent groeit. De economie is daarmee nog steeds niet terug op het niveau van voor de kredietcrisis van 2008. Nederlanders leveren sindsdien, tot en met 2013, in totaal 4 procent koopkracht in.

Daar kan somber over worden gedaan, hetgeen eergisteren in de sobere Troonrede doorklonk. Maar er is eveneens reden tot optimisme over de veerkracht van de Nederlandse economie. Onder deze omstandigheden mag het een klein wonder heten dat het begrotingstekort volgend jaar onder de grens van 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) belandt, dat de staatsschuld stabiliseert op bijna 72 procent van het bbp en dat de werkloosheid, hoe pijnlijk ook, onder de 6 procent blijft.

Dat wonder is te danken aan actieve ondernemers en de flexibiliteit van de werkenden. Het is ook op het conto te schrijven van de – hoogstwaarschijnlijk scheidende – minister van Financiën (De Jager, CDA) én van het nu zo omstreden Lenteakkoord van VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie.

En het is niet in de laatste plaats te danken aan het buitenland. De open Nederlandse economie is in wezen gered door de buitenlandse handel, die de grootste klappen heeft opgevangen waar andere grootheden haperden: van de investeringen en consumptieve bestedingen door particulieren en de overheid moesten we het de afgelopen jaren per saldo niet hebben.

Dat wordt in 2013 nauwelijks anders. Nederland blijft aangewezen op economisch herstel in het buitenland. En dat is een factor waar het weinig of geen greep op heeft. Het kan meevallen, zeker als de eurocrisis op weg blijft naar een duurzame oplossing. Het kan ook tegenvallen. De Amerikaanse conjunctuur stagneert, China verliest vaart en de eurocrisis kan ook zo weer oplaaien.

Dat betekent dat iedereen rekening moet houden met nieuwe tegenvallers. Niet door roerloos te wachten op een klap die wellicht niet komt. Wel door behoedzaam te blijven en ruimte te creëren voor tegenvallers. Die voorzichtigheid geldt niet alleen voor bedrijven en burgers, zij geldt ook voor de Staat. De overheid mag de tot nu toe bereikte financiële doelen niet als afdoende beschouwen. Want meer dan voorheen moet de regering zich meer concentreren op saneren en hervormen dan op lastenverzwaringen. De overheid kan bovendien een tegenwicht bieden aan al die verre risico’s waar zij geen greep op heeft door zekerheid van beleid te bieden, ook op de lastigste dossiers. Ook als dat beleid niet bij iedereen in de smaak valt. Laten we het lot niet tarten in 2013.