Spelen met vuur in Assam

In de theeprovincie Assam broeit een conflict dat een gevaar is voor heel India. Etnisch geweld en terrorisme kunnen zich snel verspreiden. „Alles wat we hadden opgebouwd verdween voor mijn ogen.”

Voor een gehoor van hoge politiefunctionarissen sloeg de Indiase premier Manmohan Singh afgelopen week alarm. India, de derde economie ter wereld, heeft te lijden onder toenemende spanningen tussen bevolkingsgroepen, terroristische infiltratie en bedreigingen uit cyberspace. India’s noordoostelijke deelstaat Assam, waar deze week opnieuw twee doden vielen, noemde hij als afschrikwekkende voorbeeld van wat gebeurt als die drie dreigingen samenkomen.

In Assam, bekend om zijn theeplantages, heerst geweld tussen Bengaals sprekende moslims en de inheemse Bodo’s (spreek uit ‘Boro’s’), de grootste Tibetaans-Birmese stam uit het laagland. Ze steken elkaars dorpen in brand, roven het vee en staan elkaar naar het leven. Sinds het uitbreken van de rellen eind juli zijn al bijna honderd mensen vermoord. Soms met vuurwapens of met pijl en boog, vaker nog met kapmessen. Ruim 400.000 mensen, afkomstig uit beide gemeenschappen, sloegen op de vlucht.

Assam is met 31 miljoen inwoners een etnische lappendeken. Er wonen Assamezen, verwant aan de Arische Indiërs. Bengalen, gemigreerd uit het hindoeïstische West-Bengalen en het islamitische Oost-Bengalen (het huidige Bangladesh). Er wonen ook verschillende stammen afkomstig uit Oost-India, die bekend staan als Adivasi, en ten minste zestien Thaise en Tibetaans-Birmese stammen die de jungle beschouwen als hun bezit. Vrijwel alle groepen bevochten elkaar al eens op leven en dood. In 1983 werden in één nacht ruim 1.800 mannen, vrouwen en kinderen van de Bengaalse moslimgemeenschap vermoord door de Lalung-stam.

Half augustus werden de gewelddadigheden in India’s uithoek wereldnieuws. In Zuid-India ontstond massale paniek onder jongeren uit het noordoosten. Honderdduizenden van hen – modern gekleed, Engels sprekend – studeren en werken in de Indiase miljoenensteden. Velen zijn van tribale afkomst en worden in het grootste deel van India gediscrimineerd wegens hun mongoolse uiterlijk. Toen zich via het internet en per sms het gerucht verspreidde dat moslims in heel India hun geloofsgenoten uit Assam wilden wreken, vluchten zo’n 30.000 tribale jongeren terug naar het noordoosten. De beelden van volgepakte treinstellen en stations gingen de wereld over in de nieuwsluwe zomer.

Niemand richtte de camera echter op het afgelegen Assam, dat net als de zes andere noordoostelijke deelstaten door Bangladesh van India wordt gescheiden. Het gebied is met India verbonden via de Siliguri Corridor, een navelstreng van niet meer dan twintig kilometer breed.

Toch ligt hier, in het gegeselde junglelandschap, de bron van de paniek die de grootste democratie ter wereld naar de keel vloog en die via sms, Twitter en Facebook ieder moment opnieuw kan opvlammen, overal in India. De noordoostelijke deelstaten beginnen zich bovendien af te tekenen als India’s springplank naar de groeimarkten van China en Thailand en naar de felbegeerde grondstoffen van Birma, waar het regime zich stukje bij beetje opener opstelt.

Moslimburen

In het vluchtelingenkamp Jaraguri in het district Kokrajhar in West-Assam bereiden Bodo-vrouwen het ontbijt. Ze zitten naast elkaar op de smalle veranda van een school die onderdak biedt aan ruim honderd gevluchte families. Potjes met rijst pruttelen op kookstelletjes gemaakt uit lege conservenblikken. Als brandstof dient kapotgeslagen schoolmeubilair. De autoriteiten verstrekken rijst en linzen aan de honderdduizenden vluchtelingen, maar geen brandstof om het voedsel te bereiden.

Basanti Narzary (50) zit gehurkt bij een vuurtje. Ze staart in de verte terwijl haar rijst zachtjes overkookt. Ze had een mooi, groot huis met muren van steen en een betonnen vloer, een teken van weelde in dit gebied. Een groep woedende moslims stak het in brand. „Alles wat we hadden opgebouwd, verdween voor mijn ogen. Onze buren waren allemaal moslims. We hadden een goede relatie met elkaar.”

Op het terrein van de Bilasipra Public High School In het district Dubhri, ten zuiden van Kokrajhar, hebben zo’n tweehonderd moslims hun toevlucht gezocht. Ook hier worden de schoolbankjes opgestookt om voedsel te bereiden. Mariam Ali (25) vluchtte de jungle in toen haar dorp Pakri Guri werd aangevallen. Ze zag hoe haar neef Atuwar in handen viel van de Bodo’s. „Met kapmessen hakten ze op hem in. Ik hoorde ook schoten.”

Ze toont een foto van zijn gehavende lichaam op een mobiele telefoon, genomen door mannen die later naar het dorp terugkeerden om te redden wat er te redden viel. Andere foto’s van slachtoffers worden uit gsm’s opgediept. Uit een van de lijken steken lange pijlen.

Het is onduidelijk wie het geweld in gang heeft gezet. Bodo’s vertellen een verhaal over moslims die op Bodo-grond een moskee wilden bouwen. Moslims verdenken Bodo’s ervan in hun eigen semi-autonome territorium, waar de zwaarst getroffen districten liggen, een geplande etnische zuivering te hebben uitgevoerd.

Bodoland heet dat territorium en het werd gevormd in 2003, als resultaat van vredesonderhandelingen tussen de regering en de gewapende rebellen van de Bodo Liberation Tigers. Veel Bodo-politici zijn ex-guerrillastrijders die minderheden als de Bengaalse moslims en Adivasi weinig politieke ruimte bieden. De minderheden verdenken de Bodo’s ervan uit te zijn op een eigen officiële deelstaat. Daar komen ze volgens de Indiase grondwet voor in aanmerking als ze in hun territorium meer dan de helft van de bevolking uitmaken. Vóór de gewelddadigheden vormden de Bodo’s er 29 procent van de bevolking en Bengaalse moslims 20 procent. Het verdrijven van de Bengaalse moslims – zoals de Serven dat eerder probeerden met de Albanezen in Kosovo – zou de eigen deelstaat dichterbij brengen.

Is het zo simpel? Uit cijfers over het aantal vluchtelingen van de Assamese overheid blijkt dat beide groepen veel te lijden hebben gehad: ruim 300.000 Bengaalse moslims sloegen op de vlucht, maar ook 120.000 Bodo’s.

Lang niet overal gingen de Bodo’s als eerste over tot actie. Ook de moslims hebben hun extremisten die eisen dat vijf districten met een moslimmeerderheid zich afscheiden van Assam.

Het geweld wordt gevoed door rebellengroepen van zowel de Bodo’s als de Bengaalse moslims met kampen in Birma en Bangladesh. Dit is de terroristische infiltratie waar premier Singh op wees. Vorige week zaterdag pleegde het United Liberation Front of Assam, een Bodo-strijdgroep, nog een aanslag waarbij twee doden vielen. Volgens het Institute for Conflict Management in Delhi zijn tussen de tien en vijftien gewapende moslimgroepen in Assam actief. Een ervan, de beruchte Harkat-ul-Jiha al-Islami (HuJI), die de afgelopen jaren meerdere dodelijke aanslagen pleegde, is gelieerd aan al-Qaeda.

Toch lijkt het geweld niet overal religieus gedreven. Het enige intacte gebouwtje tussen een groep verbrande moslimhuizen – afgezien van de deur die is gespleten door een bijlslag – blijkt een moskeetje te zijn. En de Bodo’s, die voornamelijk hindoeïstisch en christelijk zijn, lieten etnisch-Assamese moslims met rust.

„Dit is geen religieuze en geen etnische strijd”, zegt Raju Narzary, een sociaal activist van Bodo-afkomst die zich inzet voor de moslim- én Bodo-gemeenschap: „Dit is niet zoals destijds in Kosovo. Dat is een verzinsel van politici. Dit was niet systematisch. In mijn dorp midden in Bodoland leven Bodo’s en Bengaalse moslims nog gewoon samen. De politiek zou dit kunnen oplossen, maar politici gebruiken de tegenstellingen om hun macht te vergroten Laten we ze geen kans geven om ons uit elkaar te spelen.”

Politici, zegt Narzary, hebben vanaf het begin het geweld voorgesteld als een conflict tussen religieuze gemeenschappen. Premier Tarun Gogoi van Assam, lid van de seculiere Congres-partij die van oudsher veel kiezers onder moslims trekt, beschuldigde de hindoeïstisch-chauvinistiche oppositiepartij BJP ervan de Bodo’s te hebben opgestookt. De BJP ontkende maar speelde in op sentimenten in haar achterban met de bewering dat de snelle groei van de moslimbevolking de oorzaak was van het geweld.

Religieuze groepen tegen elkaar opzetten is spelen met vuur in India. Sinds de onafhankelijkheid kent het land een pijnlijke geschiedenis van sektarisch geweld. Bij de scheiding van India en Pakistan in 1947 gingen hindoes, moslims en sikhs elkaar te lijf, met honderdduizenden doden als gevolg. In 1984 doodden hindoes ruim tienduizend sikhs; in 1992 vielen honderden doden bij anti-moslimgeweld in Mumbai en in 2002 gebeurde dat opnieuw, maar nu op grotere schaal in de noordwestelijke deelstaat Gujarat (duizend doden).

Het is ook van economisch belang dat de politiek voor rust zorgt in het noordoosten, zegt Mahesh Saharia, gelieerd aan de regionale Kamer van Koophandel. „Het noordoosten vormt de verbinding van India met Zuidoost-Azië en China. Voor transport naar die bloeiende regio zijn we nu afhankelijk van de haven van Kolkata, 1.600 kilometer ver.” Vanuit Assam duurt het een week die te bereiken, legt hij uit. Het vervoer per schip naar China duurt dan nog drie tot vier weken. Vervoer over land door het noordoosten kan de kosten met 30 procent verminderen. De Chinezen zijn druk bezig hun infrastructuur in de aangrenzende provincie Yunan te verbeteren en India wil een spoorverbinding naar het oosten aanleggen. Maar de voortdurende onrust zorgt voor jarenlange vertraging.

Geestverschijning

De moesson maakt Assam heet en klam. Links en rechts van de weg liggen uitgestrekte rijstvelden, afgewisseld met stukken oerwoud en theeplantages. Veel mensen durven door het geweld nog niet naar hun dorpen terug te keren. Toch duikt bij een verbrand Bodo-huis in het dorp Dawaguri ineens de eigenaar op, als een geestverschijning tussen de puinhopen. Grijze biggetjes scharrelen tussen de verkoolde resten. Aan de achterkant van het verwoeste huis roert zijn vrouw in een grote pot zu mai, rijstwijn. Die gaat mee terug naar het vluchtelingenkamp.

De eigenaar van het huis, Pabitam Brahma (26), gekleed in een korte broek en een groene Reebok-regenjas, durft hier alleen overdag te komen. ’s Avonds zoekt hij met zijn vrouw de beschutting van het kamp. Brahma vertelt hoe een menigte van zestig moslims op hem af kwam. „Ik probeerde ze tegen te houden. Ik herkende sommigen van hen. We praatten en lachten vaak met elkaar op de markt. Ik dacht dat we vrienden waren.” Hij vluchtte op zijn brommer, met zijn vrouw en twee zoontjes. „We willen graag leven met onze moslimburen maar we weten niet hoe dat ooit nog kan.”

In de Indiase hoofdstad Delhi is Ajit Singh, veiligheidsanalist bij het onafhankelijke Institute for Conflict Management, het eens met de premier. De tegenstellingen in Assam zijn lokaal, maar ze zijn zeer gevaarlijk voor India en de hele Zuid-Aziatische regio, die economisch steeds belangrijker wordt, legt hij uit. „Als politieke partijen de islamitische kaart gaan spelen, verspreidt de onrust zich over het hele land.”

Begin augustus bijvoorbeeld waren er in heel India demonstraties van woedende moslims, opgejut door hun organisaties die ‘Assam’ aangrepen om hun macht te tonen. Op 11 augustus liep een moslimprotest in Mumbai uit de hand. Er vielen twee doden en veertig gewonden. Vijf dagen later sloeg de angst onder studenten uit het noordoosten voor moslimwraak om in paniek, gevoed door cyberpropaganda – de derde bedreiging volgens de premier, die waarschuwde voor misbruik van de sociale media om geweld te ontketenen.

De Indiase regering beschuldigde Pakistan van betrokkenheid omdat een deel van het opruiende internetmateriaal daar was geüpload. Volgens de veiligheidsanalist krijgen jihadistische groepen in Assam steun van de Pakistaanse geheime dienst ISI, al is niet duidelijk of het gebeurt met medeweten van de Pakistaanse regering. „Maar we kunnen hen niet de schuld blijven geven. De problemen in Assam zijn onze problemen en we moeten ze zelf oplossen.”

Als het conflict niet religieus is en niet etnisch, wat is dan de oorzaak? „Het gaat over land”, zegt sociaal activist Narzary. Een belangrijke factor is de illegale immigratie van Bengalen uit Bangladesh, die hun overbevolkte land ontvluchten. De regeringen van Assam en India doen daar weinig aan. Omdat ze kien zijn op moslimstemmen, redeneren de Bodo’s. Zij voelen zich bedreigd.

De Bodo Tribal Council weigert moslimvluchtelingen naar Bodoland te laten terugkeren als ze niet kunnen aantonen India’s staatsburger te zijn. „Niemand weet hoeveel illegale immigranten er zijn”, zegt Ajit Singh, „maar de angst is echt. En die angst leidt tot geweld. Het enige wat helpt, is laten zien dat je optreedt.”

Op nog geen halve kilometer afstand van de plek waar de Bodo-vrouw van Pabitam Brahma rijstwijn bereidt, inspecteert Anuwar Hussain Juardar wat er over is van zijn verbrande huis. „Voordat de Bodo’s me dit aandeden, werkten we samen in de rijstvelden. Ik hielp mijn buren bij de oogst. Dat kan niet meer.” Hij heeft een boodschap ‘voor onze politici’. „Laat onze gemeenschappen met rust. We hadden het goed samen.”

Dan verdwijnt hij in het oerwoud. Het schemert al. Het wordt hem te gevaarlijk.