Rotonde

Ik liep langs een toren met een klok en die klok liep gelijk. Ook had de toren aan iedere zijde een klein, stenen balkon. Achter die toren was een kerk, de deur stond open. Er hing een bordje: ‘Welkom, maar stilte graag. Er wordt een H. Mis opgedragen.’ Het was een katholieke kerk. De mis was al afgelopen, toch was ik stil. Ik ging even zitten en keek naar het hoge plafond, de ramen, de banken. Toen ging ik weer naar buiten, de zon in.

Aan de andere kant van de rotonde ging de poort van het Huis van Bewaring open. Een klassieke filmscène: man komt vrij, vrouw wacht hem op. Ze zeiden niets tegen elkaar, geen begroeting, geen handje schudden, alleen een korte lach. De man had één boventand. Samen met de vrouw liep hij naar hoek, een koffer rolde achter hem aan. Toen ze bij de hoek waren pakte de vrouw zijn hand.

In de haringkraam at een man een broodje haring met uitjes. Hij zat op een krukje aan het raam. Er vielen uitjes op de grond. Met zijn schoen schoof hij de uitjes onder de vensterbank.

Bij de benzinepomp leunde een man tegen zijn auto. Hij keek naar de meter, het duurde heel lang. De man had een enorme buik en zijn overhemd was te klein en hij was verveeld. Hij steunde met zijn elleboog tegen het dak van de auto, zijn hand tegen zijn wang.

In de koopjeshal klonk Surinaamse muziek en toch was het er ook stil. De mensen waren stil. In die stilte proefde ik de armoede. Ze verkochten stoelen, ingelijste posters en foto’s, in plastic verpakte overhemden in grote bakken, lampen, langspeelplaten, boeken, elektronische apparatuur en tweedehands kleding. Het geschuifel langs die rommel, dat is armoede en het is ook geluk. Het is ook jagen. Als je tussen die armoedige spullen iets tegenkomt dat echt een goeie prijs heeft of iets dat je net nodig hebt, dat is geluk.

Een meisje paste een jurk. De stof was rood en er zaten sierlijke patronen in verwerkt. Ze zocht een spiegel. Ze liep de complete hal door en vond bij de meubels een spiegel. De jurk zat strak om haar heupen. Ze keek heel blij.

Ik bleef staan bij een kartonnen doos waar emaille handvaten in zaten die je aan het koord van de spoelbak kunt knopen. Ik kocht er geen.

Het onkruid tussen de roestige, ongebruikte tramrails achter het trammuseum werd weggehaald door drie zwijgende mannen met oranje hesjes aan.

Ik wilde heel graag met een oude tram mee. Gewoon wegrijden over die verroeste rails waar onkruid tussen groeit. Vertrekken. Maar het trammuseum is alleen op zondag open, en buiten dat brengen die rails me nergens. Ik kan evengoed hier blijven. Nu was er in het museum een borrel met mannen in pakken. Ze stonden aan een hoge tafel en keken langs elkaar.

De bloemenkraam was wel open. Ik liep tussen een zee van bloemen door, de bakken opgesteld naar hoogte, geel, rood, paars en wit. Het rook er lekker. De bloemen leken voor eeuwig te bloeien. Onveranderlijk.

Ik kocht een mooie bos. Ik wist nog niet voor wie.

Aan deze rotonde zag ik de juiste tijd, geloof, vrijheid, liefde, rijkdom, verveling, rauwe vis, geluk, armoede, opgeslotenheid en kleurrijke tijdloze bloei in beige bakken, en dat allemaal in een stilte die door het rondtollende verkeer niet verstoord kon worden.

De bloemen staan hier nog.