Nergens een boekenkast

Ineens stond ik in mijn handen met een ouderwets meisjesboek: Het verstopte huuske van mevrouw C.M. van Hille-Gaerthé. Zoiets is regelrecht onweerstaanbaar, en voor ik het wist, zat ik in de tuin te lezen over de verwende Mia die voelt dat ze iets anders met haar leven moet dan bals en partijtjes bezoeken. Ze erft een huisje van een tante en daar wijst de weg zich als vanzelf: ze ziet anderen werken, zich inzetten om iets te betekenen voor andere mensen en ze voelt dat het daarom gaat. Niet alleen denken aan wat je zelf nodig hebt, maar ook aan wat een ander behoeft.

Ja dat is erg braaf, en zo waren die boeken ook, maar fijn. Het is een duidelijk vooroorlogse wereld (1925) die we hier voorgeschoteld krijgen, waarin stromend water en elektriciteit geen vanzelfsprekendheden waren, en waarin armoede nog betekende dat er niet genoeg te eten was en dat kleren eindeloos uitgelegd en gekeerd werden. De aardige onderwijzeres met wie Mia bevriend raakt, wil iets aan die armoede doen. Ze spreekt bovendien veel en begeesterd over muzieklessen, over mensen die het arm hebben, maar hun geld toch uitgeven aan boeken, of die samen een dichtbundel lezen ’s avonds. Het is duidelijk dat het haar niet alleen om materiële armoede gaat, maar ook om geestelijke.

Het klonk allemaal enorm vertrouwd, maar ook enorm ouderwets.

‘Het ik-tijdperk’, stond ooit groot op de omslag van de Haagse Post, de voorloper van HP/De Tijd. Dat tijdperk zou toen zijn aangebroken, in 1979. Achteraf bezien was het reuzevisionair van de Haagse Post – het ik-tijdperk is nooit meer overgegaan. Het is gewoon geworden om ook, of misschien wel vooral, aan of om jezelf te denken.

Nu is dat ‘doorgeslagen’, zeggen we allemaal. Nu denkt iedereen alleen nog maar aan zichzelf en is er van geen groepsbelang (‘burgerschap’) meer sprake.

Ik weet nooit zeker of dat waar is. We kunnen natuurlijk heel goed geweldig mopperen over hoe iedereen alleen maar aan zichzelf denkt, maar als je aan al die bewegingen denkt die toch tot nut van ’t algemeen zijn, zoals de milieubeweging of Wakker Dier, aan de enorme gelijkvormigheid van ieders wensen, allemaal een iPad, allemaal naar zee met vakantie, allemaal op Facebook, dan valt het misschien ook wel weer mee met die individualisering. Kijk maar eens een poosje rond op Funda: we hebben ook nog eens allemaal dezelfde huizen met houten of laminaatvloeren, een bank op pootjes, een grote tafel met twee lampen erboven.

En met nergens een boekenkast.

Dat is wel opmerkelijk, dat we, nu iedereen allang heeft gekregen wat de socialisten ooit wilden en veel meer dan dat, die ‘geestelijke’ idealen volstrekt vergeten zijn. Het gesprek gaat eigenlijk altijd alleen maar over materiële welvaart, en niemand durft meer te zeggen dat kunst of ‘geestelijke ontwikkeling’ ergens goed voor is.

Heel lang was het plat en gênant om niets om kunst te geven, nu zeggen zelfs regeringsfunctionarissen dat ronduit en is het ook prima om een beetje lacherig en met dedain te spreken over kunst en de bijbehorende intellectuelen. En degenen die er wel wat om geven, weten niet zo goed wat ze terug moeten zeggen.

Alsof we niet altijd geleefd hebben in een ruimte die groter was dan alleen het materiële, alsof niet heel veel van wat het betekent om te leven, een mens te zijn, te voelen, betekenis te zien in de dingen, te maken heeft met een intellectueel klimaat, met kunst, met schoonheid. Of juist met rare verrassende of weerbarstige uitingen, we hoeven niet te doen alsof kunst alleen maar zoiets betekent als dichtbundels lezen bij het theeblad.

Wat het geestelijk klimaat betekent voor hoe een mens is en leeft, kun je ongelooflijk snel, geestig en intelligent lezen in het boek Denken op de plaats rust van Henk van der Waal, een boek waar ik nu al weken lang krankzinnig enthousiast over ben, al is het soms heus wel wat moeilijk. Filosofen zijn niet altijd eenvoudig.

Wat Van der Waal (filosoof en dichter) doet, en wat heel verhelderend is, is een drietal gebieden (door Van der Waal „bereik” genoemd) onderscheiden en die vervolgens ook gescheiden houden: het „bereik van de waarheid”, „het bereik van de aanspraak” en „het bereik van het onbestemde”. Die bereiken komen kort gezegd neer op het bereik van de wetenschap, dat van de politiek en het samenleven, en dat van het innerlijke of geestelijke leven. Hij laat steeds zien waarom het niet goed is om die dingen door elkaar te husselen en ook waarom ze alle drie belangrijk voor ons zijn en ook altijd geweest zijn. Even belangrijk.

Je hebt daar meer aan dan aan het lezen van een oud meisjesboek, toegegeven. Oude idealen in oude bewoordingen kun je niet meer oppiepen. Maar nieuwe bewoordingen om aan jezelf en anderen duidelijk te maken dat een meisjesboekenterm als ‘de ziel’ nog steeds betekenis heeft, kan wel.