‘Joods? Amerikaanser dan ik bestaat niet’

‘Fictie is waar, maar kent diverse versies’, aldus Nathan Englander. De Amerikaanse schrijver over Joodse literatuur, familie en zijn nieuwe verhalen.

Nathan Englander.
Nathan Englander. Foto Roger Cremers

„Ik vraag me vaak af waarom mensen een identiteit claimen. Daarom gaat het in mijn verhalenbundel ook om vragen als: wie kan aanspraak maken op ‘Joodsheid’, wie op de Holocaust?”

Vragen als deze legt de Amerikaanse auteur Nathan Englander zijn gehoor voor tijdens een bliksembezoek aan Amsterdam voor de promotie van zijn vertaalde boek Waar we het over hebben wanneer we het over Anne Frank hebben. Net als in zijn vorige boeken staan in deze bundel ook weer Joodse personages en Joodse kwesties centraal, die in confronterende situaties terecht komen.

Identiteit is vaak gekoppeld aan de zogenaamde ‘grote’ roman, en dan krijg je typeringen als ‘De grote Amerikaanse roman’. Bestaat er iets als de grote Joodse roman?

„Nee. In Amerika wordt voortdurend onderscheid gemaakt tussen Amerikaanse literatuur en Joodse literatuur. En dat is natuurlijk onzin. Philip Roth wordt ook nog steeds een Joods-Amerikaanse schrijver genoemd. Maar die categorieën betekenen niet veel, het is een schijnorde. Je moet steeds vaker een bepaald type Amerikaan zijn, terwijl dat voor een grootheid als Roth toch niet meer opgaat. Het ligt voor mij gevoelig, ik heb geen zin om mijzelf op die manier te etiketteren. Laten we wel wezen: mijn overgrootouders zijn in Amerika geboren. Amerikaanser dan ik kan bijna niet.”

Maar uw verhalen zijn toch vooral Joodse verhalen? Ze hebben meer gemeen met die van bijvoorbeeld de Israëlische schrijver Etgar Keret, die u ook vertaald heeft, dan met de meeste korte Amerikaanse verhalen.

„Ja oké, Joodser dan mijn boeken kan nauwelijks – dat is waar. Maar toch ben ik het niet met u eens. Etgar is het kind van immigranten die in Israël wonen. Ik ben religieus opgevoed als een Jood, hij is meer een Israëliër. Je kan zeggen: jullie werk komt overeen omdat jullie Joods zijn. Maar je kan ook zeggen: jullie delen een literaire opvatting, jullie hebben beiden een gevoel voor absurdisme of jullie zijn beiden schatplichtig aan de Oost-Europese cultuur. Of zit de overeenkomst in het feit dat we allebei 1 meter 70 zijn en een krullenbol hebben? Ik begrijp de vraag wel, maar het gaat erom uit welke invalshoek je leest, en die hoeft niet specifiek Joods te zijn.

„Misschien zoeken westerse, Joodse auteurs wel naar een balans tussen donkerte en lichtheid, en maken ze die eeuwige zoektocht naar het verleden. Maar dat laatste is ook typisch Amerikaans, het melting pot-idee, waar kom ik vandaan, waar ligt mijn Amerikaans-zijn?”

Speelt die vraag ook in het verhaal ‘Alles wat ik weet over mijn familie van moeders kant’?

„Ik wilde daarin nadenken over de waarheden die in een familie leven, en over de moraal van verhalen. Mag je gewoon een waarheid verzinnen?

„Kijk, als Mitt Romney en Paul Ryan liegen over een fabriek die onder Obama failliet zou zijn gegaan, terwijl dat onder Bush is gebeurd, dan is dat een leugen. Wie liegt om de macht in een land te krijgen, is immoreel. Fox News zegt dan: geweldige speech, er zijn misschien dingen die niet kloppen, maar wat een geweldig verhaal. Maar al die complimenten doen er niet toe: je bent moreel verplicht om op zulke momenten de waarheid te spreken.

„Bij een schrijver zit dat anders: ik ben de fabriek van de werelden die ik opschrijf, en die uit mijn hoofd afkomstig zijn, maar ik voel me wel moreel verantwoordelijk. Fictie schrijven is een morele daad. Bij een verhaal ga ik ervan uit dat de lezer en ik elkaar begrijpen en dat we enigszins dezelfde invulling geven aan de begrippen goed en kwaad.

„In het verhaal over de geschiedenis van mijn familie gaat het om familieverhalen die weliswaar authentiek zijn, maar ook zijn veranderd. Jarenlang deed bijvoorbeeld het verhaal de ronde dat mijn oom, de broer van mijn vader, als achtjarige aan een hersentumor was overleden. Maar hij stierf aan een verwaarloosde wond waardoor hij koorts kreeg, terwijl mijn grootouders dachten dat het wel over zou gaan. Een hersentumor is nu eenmaal eerder acceptabel omdat je daar geen schuld aan hebt. Gebeurtenissen worden op die manier anders ingevuld, maar zijn daarom niet minder waar – mijn oom is dood.

„Toen ik de verhalen over mijn familie verzamelde, ging ik nadenken over wat het onderscheid is tussen waarheid, fictie en familieverhalen. Verhalen worden waarheid voor een familie, maar ze moeten ook een narratieve waarde hebben. Ik geloof echt in de waarheid van fictie, in die zin: als het werkt dan is het waar.

„Fictie is dus waar, maar er zijn verschillende versies. Toen ik een jaar in Jeruzalem woonde, ervoer ik dat zeer sterk. De een woont in Jeruzalem, de ander in de kibboets of in bezet gebied: het gaat niet om een meningsverschil, maar om verschillende realiteiten. Dat besef is er niet altijd: fictie kan waar zijn, maar over een andere realiteit gaan. En dan kom je weer terug op die identificatie: ook al is niet alles waar, er zit genoeg waarheid in. Het gaat om de rol die je als schrijver of lezer aanneemt.”

Ik heb het idee dat in deze verhalenbundel de Joodse personages elkáár meer de maat nemen. Terwijl in uw eerdere werk het er meer om gaat hoe Joden bekritiseerd worden door de buitenwereld. Klopt dat?

„Klinkt goed, maar gelukkig was ik me daar bij het schrijven niet van bewust. Wat ik in deze bundel zoek is waarom mensen heel stellig kunnen roepen dat iets waar of onwaar is. Zoals de ultra-orthodoxe Jood in het openingsverhaal. Mensen die volledig overtuigd zijn van hun gelijk, boezemen me angst in, maar fascineren me ook. Amerikanen die zich bijvoorbeeld beroepen op de normen en waarden van de founding fathers en dat we die moeten naleven, zodat we dus recht hebben op wapens. Ik weet vrij zeker dat de founding fathers helemaal niet vonden dat kinderen naar school of de bioscoop konden om dan vervolgens door een gek met een wapen neergeschoten te worden.

„Ik zie aan veel zaken twee kanten kleven. En daarmee worden de personages in deze bundel geconfronteerd. In het verhaal over een orthodox Joods echtpaar dat op bezoek gaat bij een Joods gezin in Florida kan ik argumenten van de ultra-orthodoxe Joden neerzetten, maar ook die van de Amerikaanse Jood. In dit verhaal spelen de echtparen het spel of je iemand zou laten onderduiken of dat je iemand zou aangeven. Dat idee komt rechtstreeks uit mijn eigen ervaringen. Mijn zusje en ik speelden het vaak: we beoordeelden mensen op de veronderstelling of ze je zouden helpen of verraden. In deze bundel draait het om vragen en gebeurtenissen die dicht bij me staan, meer dan in mijn debuut. Maar het zijn toch eerder keerzijdes die ik tegen elkaar afzet dan dat de personages elkaar de maat nemen.

„In mijn roman Het ministerie van buitengewone zaken sta ik verder af van mijn werkelijkheid [in Argentinië, tijdens de junta], dat vond ik veiliger. Ik was gefascineerd door de vraag: hoe moet een echtpaar gezamenlijk in één huis leven als de een denkt dat de zoon door de militairen is vermoord terwijl de ander nog steeds hoopt dat hij leeft?

„Maar dat boek staat toch ook dicht bij me, het is mijn verwerking van wat ik meemaakte in Jeruzalem, of beter gezegd: hoe ik Israël heb ervaren toen ik daar een jaar woonde. Daar speelt ook de vraag hoe je met voortdurende militaire aanwezigheid omgaat. Wie beheert welke realiteit, en leef je in hoop of sta je cynisch tegenover de werkelijkheid?”

In het slotverhaal van uw debuutbundel gaat het om een terroristische aanslag in Jeruzalem terwijl de hoofdpersoon in een café zit. Hij wil naar buiten, maar wordt tegengehouden onder het mom van ‘je kan toch niks doen’. Het is net alsof hij zich de realiteit niet mag toe-eigenen. Heeft u dat zelf in Jeruzalem zo ervaren?

„Daar heb ik inderdaad voor het eerst zoiets confronterends meegemaakt. Dan blijkt dat de werkelijkheid heel irreëel is, en dat is een ingrijpende ervaring. Ik was de buitenstaander, ik was een Amerikaan op een plek waar hij niet hoorde. Er werd gedaan alsof die bomaanslag normaal was – de draad werd zo snel mogelijk weer opgepakt. Ik vond dat ik de enige normale was door te denken: dit is niet gewoon. Het geluid van de mensen die doodgingen vergeet ik nooit meer. De realiteit van de buitenstaander kwam loodrecht te staan tegenover die van de meerderheid.’’