Jezus danst er vrolijk op los

Het christendom draaide niet altijd om erfzonde en straf. Stokoude ‘ketterse’ teksten tonen een andere, modernere Jezus. Deze vrolijke verlosser duikt nu ook op in de songs van Lady Gaga.

Wie zingt dit? ‘Gebaard wil ik worden, en doen baren wil ik. De genade danst! Fluitspelen wil ik, – danst nu allen. Amen!’

Jezus. Hij zingt en hij danst. En nee, het is niet uit de bijbel. Maar dat zegt weinig. Pas in de vierde eeuw is definitief vastgesteld welke teksten in het Nieuwe Testament mochten.

Dit lied en Jezus’ reidans met zijn discipelen worden beschreven in de Handelingen van Johannes, een tekst uit de tweede eeuw. Het toont een heel andere Jezus dan we gewend zijn. Hij zingt vrij vrolijk: ‘Jij die danst, begrijp mijn handelen! Als je beweegt om wijs te worden, dan heb je mij als gespreid bed’. Het boek bleef vrij lang populair, maar werd in de achtste eeuw door de kerk verboden omdat er ook in staat dat Jezus niet echt is gekruisigd.

Het traditionele idee is dat er vanaf Jezus’ dood maar één brede hoofdstroom in het christendom heeft bestaan, met daarnaast hoogstens enkele vage ketters. Maar dat is onzin. Pas in de vierde eeuw is het huidige christendom met Jezus als God-mens en de mensonvriendelijke erfzondeleer dominant geworden.

Dit was vooral het gevolg van een strategische keuze van de Romeinse keizer Constantijn de Grote, die zich midden in een burgeroorlog aan het begin van de vierde eeuw vrij onverwacht tot het christendom bekeerde. De ‘orthodoxie’ was toen met al haar bisschoppen veruit de best georganiseerde sector van het christendom. Geen gekke keuze voor een keizer op zoek naar bondgenoten.

Tot die tijd bestonden er verschillende soorten christendom naast elkaar. In sommige zong en danste Jezus of was hij een engelachtige boodschapper uit de hoogste hemel, in andere was hij een profeet. Soms was God een demon, dan weer een van de vele goden in het heelal en soms was hij de allerhoogste onbereikbare God. Er waren vormen van christendom waarin gelovigen zeer verschillende inwijdingen in de heilige kennis konden bereiken, maar ook soorten waarin ze zich streng aan alle Joodse wetten moest houden. De huidige verschillen tussen Oosterse kerken, protestantisme en katholieken zijn marginaal vergeleken met de verschillen in de eerste eeuwen na Christus. Al die ‘vreemde’ varianten waren toen normaal en zijn nu verdwenen.

In twee nieuwe boeken over het vroege christendom wordt deze enorme variëteit in de eerste eeuwen van het christendom goed beschreven. In het ene boek, Revelations onderzoekt kerkhistorica Elaine Pagels de geschiedenis van het vreemdste boek uit het Nieuwe Testament, De Openbaring van Johannes. Dit boek sluit de bijbel af en is een verhaal vol hel en verdoemenis, waarin de Zoon van God ogen heeft als een vlammend vuur.

Deze Openbaring is aan het eind van de eerste eeuw geschreven door ene Johannes van Patmos – later dachten christenen ten onrechte dat hij ook het Johannes-evangelie had geschreven. Het begint met een boodschap aan zeven vervolgde gemeenten in Klein Azië. Daarna komt een visioen waarbij Johannes verschijnt voor een troon in de hemel, midden in een zee van glas en een koor van engelen. Als dan de zeven zegels van een boekrol een voor een worden verbroken, golven rampen en afrekeningen over de aarde. De eindtijd is begonnen, het beest met zeven koppen en tien hoorns vol godslasterlijke namen komt omhoog uit de zee. Als dit beest en zijn profeet zijn verslagen, heersen de christelijke heiligen duizend jaar lang. Daarna wordt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde geschapen. Einde.

De Openbaring leest tegenwoordig als een enigszins wraakzuchtige fantasy-roman, maar Pagels kan bijna alle beeldspraak herleiden tot oud-testamentische profeten. Ze toont overtuigend aan dat de Openbaring geschreven is als schotschrift van een Joodse christen tegen de (proto-orthodoxe) volgelingen van de apostel Paulus. De boodschap aan de zeven vervolgde gemeenten aan het begin van de Openbaring blijkt een waarschuwing tegen heidenen die zich tot het christendom bekeren zonder de Joodse wetten te volgen.

Later zijn Johannes’ ooit zo krachtige Joodse christenen geheel vergeten, en kon men zich niet meer voorstellen dat de schrijver tégen de winnende ‘heidenpartij’ van Paulus kon zijn geweest. Na de tweede eeuw werd minachting voor Joden een belangrijk onderdeel van het christendom. Voortaan waren de (heidense) christenen het ware volk van God, de échte Joden. Pagels noemt die heidense toe-eigening van de Joodse geschiedenis en traditie de grootste identiteitsdiefstal uit de geschiedenis.

Pagels volgt in haar boek de lotgevallen van de in essentie Joodse Openbaring van Johannes tot in de vijfde eeuw. Interessant is dat er in die tijd ook veel andere christelijke teksten bestonden vol bezoeken aan de hemel en grootse profetieën. Maar alleen Openbaring overleefde telkens op het nippertje binnen de (proto-)orthodoxe stroming, meestal omdat de gebruikers de oorspronkelijke bedoeling niet meer begrepen. De meeste andere openbaringen zijn in de loop van de eeuwen verloren gegaan toen de canon van de bijbel eenmaal vastgesteld was en andere ‘valse’ en ‘ketterse’ teksten verbrand of verborgen werden. Enkele teksten, zoals Allogenes en de Donder, Het drievormige oerbewustzijn en Geheime Openbaringen van Johannes , zijn na 1945 in de Egyptische woestijn teruggevonden.

De meeste van die andere openbaringen waren niet van oorsprong Joods. Ze behoorden tot de meer mystieke tak van het toenmalige christendom die ook wel gnostiek wordt genoemd. Daarin was de kloof tussen God en schepsel veel minder groot dan in de latere orthodoxie.

Volgens de gnostiek had (vrijwel) iedereen een goddelijke vonk als kern, en door een juiste levenswijze en met de juiste kennis kon die kern terug worden gebracht bij de hoogste God. Jezus was volgens deze opvatting een soort aartsengel die met zijn komst naar de aarde de zielen kwam wakker schudden uit de greep van lagere goden en demonen. Zijn kruisiging was meer een publiciteitsstunt dan een cruciale heilsgebeurtenis.

In de Openbaring van Johannes bleef – typisch Joods – de kloof tussen God en schepping wél groot. Volgens Pagel was dit een belangrijke reden waarom de tekst uiteindelijk wel acceptabel was voor de officiële kerk van de vierde eeuw, toen de inhoud van het het Nieuwe Testament definitief werd vastgesteld. Ook de enorme strijdbaarheid van de tekst, waarin de ongelovigen voor eeuwig het vuur in verdwijnen, speelde een rol bij het behoud, schrijft Pagels. Die sprak waarschijnlijk bisschop Athanasius aan, de verwoede ketterbestrijder die de lijst van boeken uit het Nieuwe Testament samenstelde.

Het andere boek, Sin. The Early History of an Idea, geschreven door de Amerikaanse godsdienstwetenschapper Paula Fredriksen, is een intellectuele geschiedenis van het begrip zonde in het vroege christendom. Ondanks de vrij grote abstractie is ook dit boek een lofzang op de menselijkheid van veel ‘ketterse’ christenen uit de vroege tijd. Neem de kerkvader Origines (3de eeuw), die een deel van zijn faam dankt aan het waarschijnlijk onware gerucht dat hij zichzelf uit vroomheid zou hebben gecastreerd. Volgens deze ijverige geleerde was de menselijke ziel niet echt geschapen maar bestond ze eeuwig, ook al voor de geboorte van een mens. Om dit idee werd hij later als ketter beschouwd.

Mede op basis van het eeuwige bestaan van de ziel beredeneert Origines dat uiteindelijk iedereen gered zou worden, hoe zondig ook. Zelfs de duivel zou niet worden verdoemd. Want dat wij mensen feilbaar zijn en in verleiding komen van het kwaad, is niet onze schuld maar het gevolg van een soort kosmische cyclus die allerlei goddelijke vonken (de latere engelen, menselijke zielen en demonen) op steeds grotere afstand van God bracht. Hoe verder van God, hoe groter de verleiding van het kwaad. Maar uiteindelijk zullen alle vonken volgens Origines weer terugkeren naar God. Aan het einde der tijden zal de hel leeg zijn. Dit soort goedmoedige gedachten bleef lang populair. Pas in de vijfde eeuw werd er een eind aan gemaakt door de zeer invloedrijke kerkvader Augustinus, zo beschrijft Fredriksen. Deze fascinerende bisschop was voor zijn bekering tot het christendom ‘manicheër’ geweest, een geloof dat de eeuwige strijd tussen Goed en Kwaad benadrukte. Als christen behield hij veel van die harde tegenstelling in zijn theologie. Van hem is het ‘moderne’ idee van de erfzonde afkomstig, het idee dat de mens sinds Adam en Eva slechts geneigd is tot alle kwaad. De vrije wil bestaat niet, want de zielen zijn onherroepelijk aangetrokken tot het kwaad. Zonder goddelijke genade zijn ze daarom reddeloos verloren. Weinigen kunnen worden gered. Als iedereen gered zou worden, zou God tenslotte niet rechtvaardig zijn. Zonde dient bestraft te worden, vond Augustinus. Aan Augustinus’ zwartgallige uitgangspunten is in de afgelopen eeuw veel gesleuteld in christelijke kring. Maar het lied van erfzonde en straf wordt nog altijd gezongen in de christelijke kerken.

En wie zingt dit?‘I’ll dance, dance, dance, with my hands, hands, hands, above my head, head, head, like Jesus said, I’m gonna dance, dance, dance.’

Lady Gaga natuurlijk. Het is het refrein van haar ‘Bloody Mary’ (van de cd Born this Way, 2011) en ineens duikt hier dus die stokoude en half vergeten tekst op waarin Jezus danst en zingt. Een nieuw leven voor de Handelingen van Johannes, waarmee deze recensie ook begon.

De schrijver van het liedje, Clinton Sparks, is diep in de christelijke ‘ketterijen’ gedoken. De song gaat over Maria Magdalena, die volgens Gaga menselijk én goddelijk was, net als Jezus. Uit de tweede eeuw is ook een evangelie van Maria Magdalena bekend, waarin ze de favoriete leerling van Jezus is en een geheime reis maakt langs verschillende machten in de hemel.

Op hetzelfde album zingt Lady Gaga ook de hit Judas, een liefdesliedje voor de apostel die Jezus verried. Dit lied past weer goed bij het pas zes jaar geleden teruggevonden Evangelie van Judas, ook uit de tweede eeuw. Daarin wordt Judas voorgesteld als de enige leerling die Jezus echt begrepen heeft. Jezus sterft daarin ook niet echt aan het kruis.

Gaga’s Spielerei met het vroege christendom is een teken dat dit soort lang vergeten teksten uit het vroege christendom langzaam terugkeren in de populaire cultuur. Veel van deze ‘apocriefe heilige boeken’ die de bijbel nooit haalden leken verdwenen, maar inmiddels zijn er tientallen teruggevonden. Gelukkig maar, want ze zijn cruciaal om te begrijpen hoe het huidige christendom is ontstaan: als de laatst overgebleven stem uit een ooit groot veelstemming koor.