Is er genoeg vlees voor alle Chinezen?

Hoe kan een invloedrijke wetenschapper de plofkip accepteren? Het debat over het voedselvraagstuk zit vol spraakverwarring en is vergeven van de ideologische stellingnames. Hoe gaan we de wereldbevolking voeden? Zes meningen.

Mogen de Chinezen net zoveel vlees gaan eten als wij westerlingen? Of beter: kan de planeet dat aan? In 2050 zullen de wereldbevolking en het welvaartsniveau zo hard zijn gestegen dat de vraag naar voedsel zal verdubbelen. En miljoenen extra mensen zullen zich vlees kunnen veroorloven, wat veel meer grondstoffen vergt dan een vegetarisch dieet. De landbouw kan dat alleen leveren als we verder intensiveren, zei Aalt Dijkhuizen, bestuursvoorzitter van Wageningen Universiteit, vorige week in Trouw. De Nederlandse landbouw is het duurzaamst en een voorbeeld voor de wereld, betoogde hij.

Het kwam hem op een storm aan kritiek te staan. Want hoe kon een invloedrijke wetenschapper de plofkip accepteren – voor tegenstanders het symbool van alles wat er mis is met de intensieve veehouderij? „Ik werd aan de schandpaal genageld”, zegt Dijkhuizen. Ook in eigen kring klonk protest. Tien Wageningse hoogleraren schreven een brief aan de krant waarin zij afstand namen van Dijkhuizens uitspraken, die volgens hen eenzijdig waren.

Als het rumoer van de afgelopen week iets laat zien, is het wel dat het debat over het voedselvraagstuk vol spraakverwarring zit, en is vergeven van de ideologische stellingnames. Ondertussen blijft de vraag staan: hoe gaan we de wereldbevolking voeden? Uit een rondgang langs zes Wageningse deskundigen, onder wie Aalt Dijkhuizen, wordt het volgende duidelijk: ze zijn het nergens met zijn allen over eens, behalve dat de nood om meer te produceren hoog is.

Neem de vraag waar de discussie over begon: moet de landbouw intensiever? Met andere woorden: moeten we streven naar een zo hoog mogelijke productie per hectare, ook als dat nadelig kan zijn voor het milieu en het dierenwelzijn? Dijkhuizen zegt daar nu over: „Iedereen heeft recht op zijn eigen keuze, maar je moet er wel bij vertellen wat de consequenties zijn. Als je een kip meer ruimte geeft verhoog je het dierenwelzijn, maar hij heeft meer voer nodig omdat hij langzamer groeit. Als de Chinezen al hun kippen zo gaat houden kost dat heel veel extra land voor de productie van voer. Waar moeten ze dat zoeken? In Brazilië, in de Ardennen, in Tanzania? De kip zal bovendien meer CO2 uitstoten omdat hij langer leeft. En het vlees zal duurder zijn. Niet iedereen kan dat betalen.”

„Het zou goed zijn als we zouden erkennen dat de situatie met de plofkip is doorgeschoten”, zegt Krijn Poppe. Hij is econoom aan het Landbouw Economisch Instituut van de universiteit. „In het verleden zijn er ook fouten gemaakt met het mestbeleid. In Nederland zijn er organisaties en is er een kritische stadsbevolking die helpen de landbouw op zulke onderwerpen scherp te houden. Na verloop van tijd zie je dan dat er een corrigerend mechanisme in werking treedt, zoals nu met de acties tegen de plofkip.”

De situatie kan ook de andere kant op doorslaan, merkt Poppe. „De hele wereld kan niet bestaan uit biologische landbouw. In delen van Afrika en Oost-Europa is de grond zo uitgemergeld dat kunstmest noodzakelijk is. Je kunt ook heel onduurzaam biologisch eten, als je met Kerst biologische aardbeien laat invliegen uit Chili.”

In sommige gevallen vindt Poppe de Nederlandse intensieve landbouw een voorbeeld voor de wereld. „Nederlandse boeren zijn hoogprofessioneel en verspreiden hun kennis over de hele wereld, bijvoorbeeld op het gebied van kassenbouw. Nederland is een innovatielab voor de landbouw.” Dat vindt Dijkhuizen ook. „Met behulp van computers kunnen we nauwkeuriger kunstmest toedienen, of krachtvoer, of het oogstmoment bepalen. Kortom, meer produceren met minder input. Die kennis kunnen we dan weer exporteren. Als we de landbouw in Nederland extensiveren, zoals de tendens is, houden we die innovatiestroom niet op gang. We moeten niet het licht uitdoen.”

Volgens Cees Leeuwis, hoogleraar kennis, innovatie en technologie, is een tekort aan technologische kennis niet het grootste probleem. De meeste winst in productiviteit is te halen in ontwikkelingslanden, waar de graanoogsten vaak lager zijn dan een ton per hectare, terwijl een hectare in onze streken tien tot twaalf ton oplevert. „In ontwikkelingslanden zit het probleem vaak in kwesties als landrechten, de beschikbaarheid van krediet of de toegang tot de markt. Daar is ontzettend veel winst te boeken.”

Vaak zijn laagtechnologische methodes geschikter om de voedselproductie in die landen te verhogen, meent Leeuwis. „Ik kom net terug uit Ecuador. Daar zijn haciënda’s waarvan de bodem sterk is gedegradeerd. Toch lukt het om bepaalde delen weer in oases te veranderen, bijvoorbeeld met behulp van waterconservering. Dat is ook intensivering, maar dan heel anders dan in Nederland. Het levert een enorme verbetering in de productiviteit op.”

Pablo Tittonell, hoogleraar ecologie van landbouwsystemen, wil een stap verder. Volgens hem moet het teveel aan kunstmest, pesticiden en water dat in de noordelijke landen zorgt voor milieuproblemen en landbouwoverschotten, worden gebruikt om de landbouw in de zuidelijke landen een ‘kickstart’ te geven. Dat betekent dus extensivering van de landbouw in het noorden. „Dat hoeft niet te betekenen dat de productiviteit lager wordt. Er is een biologische boer in Zeeland die negen tot tarwe van een hectare haalt. Er is alleen meer onderzoek nodig om zulke oogsten vaker te bereiken.”

Tittonell wijst er verder op dat er nog veel winst kan worden behaald met het tegengaan van voedselverspilling. „Waarschijnlijk kunnen we het voedselaanbod zo al met 20 procent verhogen. Een voorbeeld: als een boer een krop sla oogst, haalt hij de buitenste bladeren eraf omdat dat er mooier uitziet. De supermarkt doet hetzelfde, en de consument thuis ook. Zo gooien we de helft weg.”

Volgens Han Wiskerke, hoogleraar rurale sociologie, gaat het niet alleen om productieverhoging, maar ook om de toegang tot dat voedsel. „In veel ontwikkelingslanden werkt 70 tot 80 procent van de beroepsbevolking in de landbouw. Als je daar grootschalig en intensief gaat produceren kan dat ten koste gaan van veel werkgelegenheid in de landbouw, en er is onvoldoende ander werk om dat op te vangen. Het gevolg is onvoldoende koopkracht en geen terugvalmogelijkheid op zelfverbouwd voedsel. Zo kan intensivering zelfs tot meer honger leiden.”

Duurzaamheid is geen absoluut begrip, vervolgt Wiskerke. „Het is altijd tijd- en plaatsgebonden. De definitie is niet beperkt tot de laagste ratio van input en kilogram eindproduct. Voor de intensieve dierhouderij in Nederland is veel landbouwgrond in het buitenland nodig. Je onttrekt mineralen daar en creëert overmatige emissies hier. Je kunt natuurlijk het mestoverschot verwerken en verrijkte mest terugsturen naar die landen. Maar dierenwelzijn speelt ook een rol. Persoonlijk vind ik dat plofkip niet kan. Het is ook niet te eten trouwens.”

Rudy Rabbinge, emeritus hoogleraar duurzame ontwikkeling en voedselzekerheid, vindt de hele intensiveringsdiscussie verkeerd. „Het is de verkeerde uitdrukking”, zegt hij. „Externe inputs zoals kunstmest en bestrijdingsmiddelen moeten niet het uitgangspunt zijn. Je moet kijken naar wat er geproduceerd moet worden, en dan op welke grond en op welke wijze dat het beste kan. Aan de hand daarvan bepaal je welke externe hulpmiddelen er nodig zijn. Twintig jaar geleden heb ik hier al een studie over gedaan op Europees niveau. Toen bleek dat we met 60 procent van de landbouwgrond, met minder dan 20 procent van de gebruikte pesticiden en met minder dan 40 procent van de gebruikte kunstmest konden voldoen aan de voedselvraag binnen Europa.” Wereldwijd is dat ook haalbaar, zegt Rabbinge. „Met China als uitzondering. Dat heeft 8 procent van het wereldwijde landbouwareaal en 20 procent van de wereldbevolking.”

De Nederlandse landbouw strekt zonder meer tot voorbeeld voor de wereld, vindt Rabbinge. „Veel bedrijfstakken binnen de landbouw scoren hoog op het gebied van concurrentiekracht en duurzaamheid, zoals de productie van pootaardappelen en groentezaden. De paardenfokkerij is beroemd. Maar op een aantal plekken zijn we uit de bocht gevlogen, zoals bij de intensieve varkenshouderij. Die sector is alleen gericht op kostenbesparing en gaat niet uit van de kwaliteit van het eindproduct.”

Bestuursvoorzitter Dijkhuizen is bang dat het allemaal niet snel genoeg gaat. „We realiseren ons niet hoeveel er moet gebeuren. Elk jaar is er 2 tot 3 procent meer voedsel nodig en je haalt het niet meer in als je achterloopt. We kunnen wel zeggen dat we gewoon minder moeten eten in het Westen, maar gedragsverandering is moeilijk. De Chinezen zullen daar hun kaarten niet op durven zetten.”

Ecoloog Tittonell denkt dat de Chinese vraag naar vlees best eens kan gaan meevallen. „Veel mensen kijken naar China als een veelkoppig monster”, zegt hij. „Maar het debat over vlees zal daar ook gevoerd gaan worden. Nu al worden miljoenen hectares in China milieuvriendelijker bebouwd dan vroeger. Zij worden de volgende agrarische supermacht. Over vijftig jaar moeten we misschien naar China toe om nieuwe landbouwtechnieken te leren.”

Hanneke Chin-A-Fo