Het leven is een fuik

Aan de vier eigenschappen waarmee Joost Zwagerman in een blurb het proza van Herman Stevens samenvat (‘secuur, saillant, smakelijk en substantieel’) mag nog een vijfde s worden toegevoegd: subtiel. Dat is het eerste woord dat je met Gloriejaren, Stevens’ zevende roman, in verband brengt.

Het mag klinken als een dekseltje dat op ieder potje past (want van welke doorgewinterde schrijver kun je zeggen dat hij het tegenovergestelde van subtiliteit belichaamt); het is hier toch een sleutelwoord. Al is het maar waar het gaat om het aanvaarden van Stevens’ trage aanpak om drama te genereren. Niet alle lezers zullen het geduld op weten te brengen voor zijn stijl. Het is kalm, het is verzorgd, en een zin als ‘Op zijn achttiende begon zijn haar al dunner te worden, wat hij bestreed door met gewichten te trainen’, is zo ongeveer de grootste stilistische uitspatting in het boek.

Wat het allemaal ingewikkelder maakt is dat de auteur Gloriejaren op zijn eigen website neerzet als een roman ‘vol beweging en belevenissen’. Als dit een boek is waar beweging en belevenis de boventoon voeren, hoe moeten we, zeg, Célines Reis naar het einde van de nacht dan in godsnaam omschrijven?

Het gaat dan ook niet als een raket vooruit in Gloriejaren, aangezien de vijf vrienden die centraal staan onderdeel uitmaken van wat in de sociologie is aangeduid als de Verloren Generatie. Geboren in de jaren vijftig of zestig, en na hun afstuderen aanlopend tegen de massawerkloosheid van de jaren tachtig en een dreigende atoomoorlog. De neutronenbom en de bijstand vallen niet met zoveel woorden in Gloriejaren, laat dat maar aan de omzichtigheid van Stevens over.

Generatieroman

Waar hij de nadruk op legt is de stagnerende ontplooiing van de personages, die tijdens hun volwassenwording allemaal aanlopen tegen de beperkingen van de tijd – en die van henzelf. Gloriejaren is een generatieroman, maar een waaruit nauwelijks passages of mensen zijn te filteren die we doorgaans met die generatie associëren. Ja, er waren destijds demonstranten en krakers te over, maar die kom je in Gloriejaren niet tegen.

Dromen hebben de vijf gymnasiasten uit Kralingen, Rotterdam, maar kleine dromen. Of beter: kleine maatschappelijk georiënteerde dromen. Er is er een die Japans gaat studeren maar daar snel mee ophoudt, er is er een die na een studie rechten genoegen lijkt te nemen met een burgemeesterspost in een slaperig dorp. Maar waar eigenlijk niemand in slaagt is het volledig loskomen van de plek waar ze opgegroeid zijn, alsof ze er met elastiek aan vastzitten. En verhuizen ze al wel, dan lijken ze Kralingen als een stempel op hun voorhoofd met zich mee te dragen.

Wanneer er bij de personages al sprake is van een gevoel van nederlaag of teleurstelling, dan schuift Stevens je dat heel voorzichtig voor. Zo laat hij Zina, eens een gedisciplineerde belofte, vanwege haar naïviteit, langzaam in een soort niemandsland terechtkomen, terwijl ze zich er niet eens van bewust lijkt te zijn waar ze de verkeerde afslag heeft genomen. Leven is bij Stevens een fuik: langzaam laat hij zijn personages in een ruimte glijden waar geen ontsnapping meer mogelijk is.

Makelaar

Veel schappelijker stelt hij zich op ten opzichte van Loos, een jongen die zelfs de middelbare school niet afrondde en daarmee het zwarte schaap lijkt te worden tussen al die bemiddelde, talentvolle leeftijdsgenoten. Loos ontpopt zich, via de weg van de straat, tot een succesvol makelaar die de huizen in Kralingen aan de man brengt. Waarmee Stevens waarschijnlijk iets heeft willen zeggen over wie van de verloren generatie het ondanks alles ‘maakte’, en wie niet.

En toch is Gloriejaren als symbolische generatieroman niet helemaal geslaagd, hoe beheerst en ambachtelijk het boek ook in elkaar is gezet. Aan het slot belandt Wiel, de gefnuikte schrijver van het stel, in de ontluikende IT-wereld van de jaren negentig. Door de amusante sfeertekening van die niksige graaicultuur (‘Rolf had hem aangenomen omdat hij ook een alfa was. Alfa’s dachten anders. ,,Buiten de doos’’, was het beeld dat Rolf gebruikte, al legde hij nooit uit wat voor doos en wat erin zat.’) wordt opeens duidelijk wat je miste aan het deel dat aan dat hoofdstuk vooraf ging. Reuring, een polsslag, afwisseling. Zo bedeesd als dit kan geen tijd zijn verlopen.