Gezellig babbelen met je dode stiefvader

Arjan Visser: Hotel Linda. De Arbeiderspers, 232 blz. €17,95 ***

Aan variatie geen gebrek. De eerste roman van Arjan Visser ging over een dorpsarts die niet wilde deugen. De tweede over een honkvaste duivenmelker. De derde over een zangtalent dat op jonge leeftijd stierf. In Hotel Linda, zijn vierde roman, voert hij Jonah Jakobson ten tonele, een Joodse diamantbewerker.

In 1942 vlucht Jakobson naar Brazilië, waar hij trouwt en als diamantzoeker enig fortuin vergaart. In 2010 keert hij als hoogbejaarde weduwnaar terug naar Amsterdam. Hij neemt zijn intrek in Hotel Linda aan de Stadhouderskade. Hij hoopt de eigenares, een jeugdliefde, na bijna 70 jaar terug te zien. Maar alles loopt anders, want zij zit inmiddels in een verpleeghuis en hij belandt in het ziekenhuis – waar hij niet meer levend uitkomt.

Dat klinkt als een overzichtelijk levensverhaal. Maar in de praktijk hebben we te maken met de troebele blik van Jonah. Hij maakt de balans op van zijn leven en deelt de tijd niet meer op in heden, verleden en toekomst. Hij maakt er een rommeltje van, kan je gerust zeggen. Dat heeft iets aantrekkelijks.

Visser laat mooi zien hoe een oude man langzaam wegglijdt uit het leven, zodat het onderscheid tussen inbeelding en herinnering, vroeger en later, leven en dood steeds meer vervaagt. Hij praat dus even onbekommerd met een zaalarts als met zijn dode stiefvader. Hij heeft echte ontmoetingen, maar legt ook spookbezoeken af. Hij huilt om de velen die zijn omgekomen, maar ligt ook weer verzaligd aan de borst van zijn moeder. ‘Ze sloeg haar kamerjas open. [...] Ik zag een heuvel en voelde hoe de top ervan tegen mijn lippen werd geduwd. Ik hapte, ik sabbelde, ik proefde.’

Het veelvuldige gegoochel met de tijd heeft ook zijn keerzijde. Het is moeilijk bij te houden wat er wanneer allemaal voorvalt. Ook Visser zelf verslikt zich nog wel eens in de jaartallen en gebeurtenissen. Jonah vindt zijn grootste diamant in 1952. Of was het nou toch 1947? Zijn Braziliaanse vrouw is in het ene hoofdstuk tien jaar dood en in het andere veertien of vijftien. We lezen dat de oude baas op weg is naar de lift. Een halve bladzijde verder klautert hij zonder nadere toelichting de trap op.

Toch steekt deze roman, met schoonheidsfoutjes en al, gunstig af bij zijn voorgangers: ontroerender dan De laatste dagen (2003), levendiger dan Hemelval (2006), realistischer dan Paganinipark (2009). De toon is goed, de ziekenhuisscènes zijn geestig, de dialogen soepel. Iets minder overtuigend is de casting. Jonah zelf komt nog aardig uit de verf, maar Linda van Hotel Linda is en blijft een wazige dame uit ‘het verzet’. Zij legde het in 1942 wel erg riskant aan met een diamantslijper, die ze juist moest helpen bij zijn geruisloze vertrek uit Nederland.

Op deze iele intrige rust de hele roman, waarin verder nog heel wat slachtoffers, medeplichtigen, schuinsmarcheerders, boksers, helden en antihelden voorbij komen.

Tot die antihelden behoort ook Jonah, die zich nooit helemaal over zijn vlucht uit Nederland heen kon zetten, omdat de charmante verzetsdame daarbij gewond raakte. Het scheelde wel dat hij haar later, vanuit Brazilië, schadeloos kon stellen met een royale, anonieme gift. Precies deze ene goede daad, zo suggereert Visser, brengt hem aan het eind van zijn leven waar hij wezen wil: in de hemel, herenigd met zijn dierbaren, zwevend tussen de sterren, die flonkeren als diamanten.