Een dichtende glazenmaker

Genie en pruldichter. Meningen over Jan Vos liepen sterk uiteen. Een nieuwe studie van zijn 1500 gedichten leert veel over de alledaagse dichterspraktijk in de 17de eeuw.

In de winter van 1641 schreef Caspar van Baerle, hoogleraar aan het Athenauem Illustre van Amsterdam, aan de niet minder erudiete Constantijn Huygens, secretaris van stadhouder Frederik Hendrik, een enthousiaste brief. Hij had een treurspel gezien, ‘Aran en Titus’, zo ongewoon, grillig en wreed dat hij het in totaal zeven keer was gaan bekijken.

De auteur van het stuk, een volslagen onbekende in het literaire circuit, heette eenvoudig Jan Vos, van beroep glazenmaker, ‘een ongelettert man’, zoals Van Baerle hem noemde. Dat was nog iets anders dan de elitaire heren van de Muiderkring. Niet alleen de tragiek van het stuk – van de twintig personages haalden er twee levend de eindstreep –, maar vooral de sociale positie van de schrijver verbaasde. En nog katholiek ook. Dit was geen regentenzoon, niet zo’n jongen die na de Latijnse School, zijn studie in de rechten in Leiden en een Grand Tour zijn regentenbedje gespreid zag.

Aan de andere kant was Vos allerminst een armoedzaaier; hij dreef een bedrijf in de Kalverstraat en behoorde tot de gegoede middenstand. Hij was ook geen wonderkind toen Van Baerle hem ontdekte – hij was al 31 jaar oud –, maar wel een curieus verschijnsel. Hij werd in het vooral Amsterdamse literaire circuit opgenomen en kwam te verkeren in de hoogste regentenkringen daar.

Behalve twee treurspelen en een klucht schreef Vos gedichten op actuele, vooral Amsterdamse politieke gebeurtenissen, op huwelijken en op het overlijden van Amsterdamse regenten. Ook zijn tientallen verzen op geschilderde portretten van hem bekend en ten slotte nog een reeks puntdichten.

Op deze dichtende glazenmaker promoveerde de neerlandica Nina Geerdink. Haar studie is geen analyse van stijl of speurtocht naar ontleningen, het is eerder een sociale studie. Zij stelde zich vragen naar de functie van Vos’ dichtwerk in zijn leven. Was hij een broodschrijver of deed hij het om de eer, in zijn ledige uren zoals Huygens en die anderen? En wat betekende zijn poëzie voor zijn lezers of zijn gehoor of zelfs voor de hele stad Amsterdam?

De reputatie van Jan Vos kende golfbewegingen. Hij is omschreven als een genie, maar ook als een pruldichter, gekenmerkt door ‘bekrompen eenzijdigheid’. De waardering was afhankelijk van de poëtica van zijn critici. De classicisten, die aan het eind van zijn leven in opmars waren, zagen hem niet erg zitten. Hij volgde de klassieke regels niet, zijn onderwerpen waren niet altijd voldoende verheven en deze kritiek werd gekoppeld aan zijn geringe afkomst. Geerdink kiest geen partij in dit esthetisch debat.

Huydecoper

Vos werd niet alleen opgenomen in de literaire kring van Van Baerle, Hooft en hun vrienden, maar ook in die van de Amsterdamse regenten, leden van de familie Bicker, De Graeff, Hinlopen en Huydecoper. Vooral over zijn relatie met Johan Huydecoper is veel bekend. Op gebeurtenissen uit diens familieleven maakte Vos tientallen gedichten. Uit een dagregister van Huydecoper blijkt hoe vaak Vos te gast was op diens buitenplaats aan de Vecht, mee ging wandelen of aanzat aan de dis. Vos leverde gedichten, converseerde mee over literaire, schilderkunstige en politieke onderwerpen en roemde degenen op wie hij dichtte. In zijn politieke gedichten stak hij de loftrompet over Amsterdam en haar wijze, goudeerlijke en tolerante regenten. Hij maakte zodoende deel uit van de stedelijke propaganda die zich ook uitte in andere vormen als stadsbeschrijvingen en kaarten van Amsterdam.

Geerdink traceerde bijna 1500 gedichten van Vos, die ze onderzocht naar thematiek en functie. In haar systematisch opgezette studie noemt ze de verhouding tussen Vos en de regenten geen mecenaat, maar patronage. Dit was gebaseerd op wederkerigheid. In ruil voor zijn poëzie ontving Vos doorgaans geen geldelijke beloning, maar protectie, eer en in concreto twee belangrijke benoemingen. Vanaf 1647 benoemden de burgemeesters hem bijna jaarlijks tot hoofd van de Amsterdamse Schouwburg, in welke functie hij ook de reputatie van de stad hooghield. In 1652 kreeg hij de functie van stadsglazenmaker.

Valt Vos nu nog te lezen? Hij stond bekend om zijn plastische, visuele wijze van dichten; sommige fragmenten zijn bijna filmisch. Het is ook mooi om een gedicht te lezen op een portret dat we nog kennen. Maar hij is minder gevoelig en subtiel dan Hooft en Huygens.

Boghtige trompet

Vondel maakte een gedichtje op Vos waarin hij diens stem omschreef als ‘gewrongen door een boghtige trompet’. Die regel heeft lang de gedachte gevoed dat Vondel hem maar een gekunstelde collega vond. Ze visten in dezelfde opdrachtvijver. Geerdink meent dat dit niet negatief bedoeld is, maar interpreteert die bochtige trompet zo dat Vos zijn taal niet op een gewone, alledaagse manier opschreef, maar pas na weloverwogen bewerking.

Dat is natuurlijk zo, maar het neemt niet weg dat Vos zich, zoals ze zelf ook toegeeft, al te omslachtig uitdrukt en wel eens vervalt in obscuritas. Je kan je niet aan de indruk onttrekken dat de dichtende glazenmaker zich in allerlei literaire bochten wrong om er bij te horen.

Deze studie naar Vos leert veel over de praktijk van het alledaagse dichtersschap, maar zal de lezer niet direct naar de verzamelde werken van Jan Vos doen grijpen. Toch zullen we hem niet vergeten. Eén vers kunnen we namelijk dagelijks lezen. Op het grote schilderij van Bartholomeus van der Helst in het Rijksmuseum waarop we de Amsterdamse schutters van het Voetbooggilde zien aanzitten aan een copieus banket ter gelegenheid van de Vrede van Munster (1648) staat prominent vooraan een trommel. Er is een briefje aan gehecht met daarop een versje op die vrede en de Amsterdamse vredemakers. Was getekend Jan Vos.

Belloone walgt van bloedt, ja Mars vervloeckt het daveren

Van ’t zwangere metaal, en ’t zwaardt bemint de Scheê:

Dies biedt de dapp’re Wits aan d’eedele van Waveren

Op ’t eeuwige verbondt, den hooren van de Vreê

Jan Vos, 1648

(Bellona: krijgsgodin. Mars: oorlogsgod. Witsen en Van Waveren waren vooraanstaande schutters)