De peilingencarrousel: De Wereld Draait Door was het ergst

De opiniepeilers peilden zich weer suf deze verkiezingen. Ingezet door de media, die hun uitkomsten misbruikten, en daarmee kiezers beïnvloedden. Ga nou eens serieuzer om met die peilingen, betogen drie politicologen.

Dit was werkelijk de allerbeste, allerleukste verkiezingscampagne ooit. Nee, echt. Je zou bijna denken dat deze verkiezingen gingen over de economie, de zorg en Europa – alleen niet in de media. Daar stond één vraag centraal: wie is de winnaar?

Peilers peilden zich scheel

Onze nationale media hebben alles uit de kast getrokken om die vraag te beantwoorden. Peilers dachten met chirurgische precisie in dagelijkse peilingen te kunnen nagaan welke kiezer naar welke partij trok. We kregen een Peilingwijzer, die afzonderlijke peilingen combineerde tot een enkele überpeiling. De Stemming, van EenVandaag, gaf kiezers niet één, maar vijf stemmen om te verdelen. Het Kieskompas werd ingezet als enquête. De Stembreker, van G500, zou het ultieme gereedschap worden om de verkiezingen te hacken en coalities af te dwingen. En dan hadden we natuurlijk nog het methodologische wonder van het ‘Tweede Scherm’, een veredelde webpagina waarop je je mening over een tv-programma kan geven.

Peilers peilden zich scheel. Politicologen relativeerden zich suf. De media aten gulzig van beide walletjes.

Peilingen, dat voorop gezet, zijn wel degelijk waardevol – maar overdaad schaadt. Dit gold zeker dit jaar, door het totale gebrek aan terughoudendheid in de berichtgeving over peilingen in veel media.

24 zetels ernaast - dat is veel

Uiteraard konden alle vernieuwingen niet voorkomen dat de peilers de verkiezingsuitslag niet juist hadden voorspeld. Peter Kanne (TNS NIPO) noemde dat weken geleden in de Volkskrant al het tragische lot van de peilers.

Hoewel peilers zeggen niet te voorspellen, zaten ze er dit jaar wel heel ver naast. Vorige jaren telden de fouten op tot 16 à 18 zetels, dit jaar zaten de peilers er 18 (Synovate, Peil.nl) tot 24 (NIPO, De Stemming) zetels naast. Dat is veel, zeker als je bedenkt dat dit een voor Nederland relatief stabiele verkiezingsuitslag was. Van de 23 zetels die van eigenaar veranderden, hadden de peilers er ongeveer de helft goed.

Betekent dit dat de peilingen niet juist waren, of zijn Nederlanders op het allerlaatst massaal strategisch gaan stemmen? Het is te vroeg om hierover conclusies te trekken. Mogelijk heeft juist het eenduidige beeld in de slotpeilingen kiezers aangezet tot strategisch stemgedrag. Dan zijn slotpeilingen inderdaad self-denying prophecies. Dat kun je peilers niet verwijten.

Illustratie Cagle Cartoons

Illustratie Cagle CartoonsIllustratie Cagle Cartoons

Verkiezingsdag is het enige moment om te ijken

Het is niet fair om op peilers in te hakken als we niet weten wat er met de kiezers is gebeurd op de laatste verkiezingsdag, maar we moeten het gebruik van peilingen wel kritisch tegen het licht houden. Te vaak zijn conclusies getrokken die niet evident blijken uit de peilingen.

Helaas is de verkiezingsdag het enige moment dat we hebben om de peilingen te ijken. Opiniepeilers zijn zich hiervan terdege bewust en dekken zich van tevoren in. Als peilers ernaast zitten, hoeft dat volgens hen niet door ondeugdelijke peilingen te komen, zeiden ze op 11 september in NRC Handelsblad. Kiezers zouden op de laatste dag nog kunnen veranderen van mening, een deel van de kiezers zou in de slotpeiling nog geen besluit hebben genomen, en dan zijn er nog afrondingsfouten en foutmarges. De peilers maken allemaal terechte kanttekeningen.

Toch doet het allemaal ook wat opportunistisch aan. Het is van tweeën één. Ofwel peilingen hebben allerlei voorbehouden en foutmarges, maar dan moeten (kleine verschillen in) de uitslagen in de voorgaande weken ook niet zo serieus worden genomen. Ofwel je presenteert dagelijks peilingen zonder enige terughoudendheid, maar dan moet je je ook op de verkiezingsdag laten afrekenen op je fouten. Nu blijft peilen te vrijblijvend en behouden de cijfers een schijnbaar onaantastbare status.

Het is zoeken naar een begraven schat

Het is niet verwonderlijk dat peilers ernaast zitten. Een opiniepeiling is als het zoeken naar een begraven schat met een ouderwetse metaaldetector. De metaaldetector wijst de plek waar de schat ligt nooit precies aan. Hij zal gaan piepen op een willekeurige plek binnen een straal van vijf meter van de schat. Er is dus meetonzekerheid, net zoals een partij die op 26 zetels staat in de peilingen er werkelijk 23 tot 29 zal hebben. Bovendien heeft de oude metaaldetector een afwijking. Hij wijst de schat steevast iets te noordelijk aan van de plek waar de schat eigenlijk ligt. Er is dus een bias.

Bedenk dan dat u iedere dag opnieuw gaat zoeken, elke dag vertrekkend vanuit een net iets andere route, en elke dag eindigend op een net iets ander punt. Is dan de schat van plek veranderd? Of bedenk dat verschillende mensen met verschillende metaaldetectoren vanuit verschillende hoeken gaan zoeken, en allen eindigen op een net iets ander punt. Kunnen we dan wel vaststellen waar de schat ligt? En stelt u zich dan ook nog eens voor dat die schat onder het zand elke dag wat wordt verplaatst. Een schatzoeker zou dat pas zeker weten als die schat minstens tien meter is verschoven!

We kunnen de vergelijking nog veel verder doortrekken, maar het principe is duidelijk: peilingen kennen ruis (meetonzuiverheid) en hebben afwijkingen (over- en onderschattingen). Kleine verschillen of verschuivingen van één tot drie zetels onder de Nederlandse bevolking zijn door opiniepeilers nagenoeg niet te meten. Althans, statistisch kunnen ze die zelfs met kunst- en vliegwerk niet hard maken; ze blijven speculatie. Peilers weten dit, en politieke redacties weten dit.

Vaker lag de schuld bij de media, die disclaimers negeerden

Daarom is het zo opmerkelijk dat peilingen opnieuw zo zijn verabsoluteerd. Soms waren het peilers zelf die geen schroom kenden, maar sommigen benoemden in elk geval nog hun foutmarges. Vaker lag de schuld bij media, die zelfs de meest expliciete disclaimers negeerden. Hoewel TNS NIPO op dinsdag het verschil tussen de VVD en de PvdA in de slotpeiling nadrukkelijk too close to call noemde, schreef NRC die avond: “De Politieke Barometer en TNS NIPO houden het op de VVD als winnaar.”

De Nederlandse omgang met peilingen getuigt van ‘statistisch analfabetisme’. Media hebben een zekere angst voor cijfers, snappen ze niet of weigeren ze juist te interpreteren. De eerbied voor peilingen is veel te groot: als je iets in cijfers kunt uitdrukken, moet het wel waar zijn. Het geeft een glans van onaantastbaarheid om te kunnen praten over exacte zetelverschuivingen.

De berichtgeving appelleert aan een behoefte onder kiezers. Van de kiezers geeft 7 procent toe strategisch te stemmen (let wel: op basis van peilingen). Nog eens een kwart van de kiezers is een potentieel strategische stemmer. Bovendien is er ook in Nederland een bandwagoneffect: kiezers die stemmen op een partij omdat die het goed doet in de peilingen. Succes in de peilingen creëert zodoende nieuw succes in een volgende peiling. Indirecte invloeden zijn er ook, zoals via het uitnodigingsbeleid bij televisiedebatten of via politici die hun campagnestrategie omgooien. Denk aan de arme Emile Roemer, die dacht in talloze media het boetekleed te moeten aantrekken na de eerste dalingen in de peilingen.

Steeds meer disclaimers - maar niet voldoende

Een aantal initiatieven heeft dit jaar bijgedragen aan een degelijker interpretatie van peilingen. Ten eerste combineerde de Peilingwijzer van Tom Louwerse de informatie in de diverse peilingen tot een enkele uitkomst. Zijn nadruk op foutmarges kwam bij steeds meer peilers terug.

Ten tweede kwamen steeds meer media met disclaimers over foutmarges, zoals de NOS, Trouw, NRC en EenVandaag. Het is een vooruitgang, maar niet voldoende. Wie de disclaimer serieus neemt, kan vaak niet anders doen dan concluderen dat het hele voorgaande bericht moet worden afgeserveerd als onzinnig. De vooruitgang is er, maar zeer inconsequent doorgevoerd. De onjuiste, spannende kop blijft. Het non-nieuws wordt eerst verkocht, dan pas teruggenomen.

Illustratie Cagle Cartoons

Illustratie Cagle CartoonsIllustratie Cagle Cartoons

Het volkomen onzinnige ‘Tweede Scherm’

Tegenover deze gunstige ontwikkelingen staat ook een aantal kwalijke. Peilingen werden steeds frequenter gepresenteerd. De laatste dagen was er vaak meer dan één peiling per dag. In augustus liet de SP in de diverse peilingen elke dag van de week een andere ontwikkeling zien (zondag +1, dinsdag -3, woensdag +4, donderdag -2, et cetera). Media namen dit klakkeloos over. Als de kiezer al niet schizofreen was, zou hij het worden bij het lezen van deze peilingen. En heus niet alleen websites als nu.nl maakten deze fout.

Of denk aan de volkomen onzinnige invoering van het ‘Tweede Scherm’. Bij Knevel & Van den Brink bepaalde dat niet alleen de winnaar, maar ook wie het laatste woord kreeg in debatten. Het probleem is evident: het Tweede Scherm is geen afspiegeling van Nederland en zelfs niet van de kijkers naar het debat. Volgens een screenshot van dat scherm was van de 935 deelnemers 84 procent man. Gelukkig kregen presentatoren van opeenvolgende debatten steeds meer schroom, en liet EenVandaag het Tweede Scherm voor wat het was.

Nergens zo extreem als bij De Wereld Draait Door

Bijna alle peilers waren dit jaar terughoudender dan voorheen, maar verscheidene media gingen er juist steeds vrijblijvender mee om. Bij die media ligt het voornaamste probleem. Het zijn immers niet de droge peilingsuitslagen zelf, maar vooral de interpretatie ervan die invloed hebben op de kiezer.

De perverse omgang met opiniepeilingen kwam voor in talloze kranten en programma’s, maar nergens was het zo extreem als bij De Wereld Draait Door.

Nu had DWDD ook een kleine traditie hoog te houden in belabberde omgang met peilingen. In 2010 had de dagelijkse huispeiler Maurice de Hond veelvuldig geconcludeerd dat de kloof tussen PvdA en VVD te groot was om in te halen. Pas bij de verkiezingen bleek dat de VVD in de peilingen schromelijk was overschat. De kloof bestond uit slechts enkele tienduizenden stemmen. Als kiezers dat hadden geweten, is het aannemelijk dat veel meer kiezers – van links en van rechts – strategisch hadden gestemd. De verkiezingsuitslag had er wezenlijk anders uitgezien. In plaats daarvan was PvdA-leider Job Cohen in de weken voor de verkiezingen – ook bij afwezigheid in het programma – bestraffend toegesproken door Matthijs van Nieuwkerk en zijn tafelgasten. Cohen werd ingewreven dat hij de verkiezingen zou verliezen. (Van Nieuwkerk, vijf dagen voor de verkiezingen tegen Cohen: “Dat zegt u nu wel. U zegt het zelfs lachend. Maar u moet nog steeds heel veel zetels inlopen. Je moet elke dag denken, dit is een verloren dag, ik heb dus iets niet goed gedaan.”) Dit gesuggereerde verlies werd – mede bij gebrek aan strategische stemmen en bandwagoneffecten – bewaarheid.

Na de serieuze miskleun bij de vorige verkiezingen besloot DWDD er dit jaar een schepje bovenop te doen. Maurice de Hond mocht ook dit jaar dagelijks zijn peilingen presenteren. Elk van die dagelijkse peilingen liet verschuivingen zien die zo klein waren – één zetel, twee zetels – dat ze hoogstwaarschijnlijk zijn ontstaan door toevalligheden. Zo werd in de eerste uitzending de daling van D66 in de peiling van De Hond met slechts een enkel zeteltje opgeblazen tot iets betekenisvols. Konden Pechtold en De Hond die daling verklaren? De Hond haastte zich om de aanleiding te zoeken in Pechtolds afwezigheid bij het Carrédebat van de avond ervoor, hoewel de verandering statistisch boterzacht was. DWDD draaide door en creëerde nieuws, ook als er geen nieuws was.

Voor DWDD was Maurice de Hond dit jaar niet genoeg. Ook Sywert van Lienden, van G500, mocht aanschuiven om allerlei analyses te presenteren op basis van de deelnemers aan zijn Stembreker. Van Lienden overspeelde hier zijn hand. Zo zouden D66-kiezers vooral naar links neigen, legde Van Lienden uit aan Alexander Pechtold. Uit de veel betere steekproef van De Stemming (EenVandaag) bleek juist het tegendeel. Emile Roemer werd een week later geconfronteerd met nog veel grotere kolder. Volgens Van Lienden was het vertrouwen in Roemer het laagst van alle partijleiders. Of hij daar even op wilde reageren. Dat het onderzoek van de Stembreker bij lange na geen doorsnede van de Nederlandse bevolking betrof, hadden de initiatiefnemers zelf én de redactie van DWDD allang door moeten hebben.

Strategisch stemmen net zo legitiem als om het kontje van de lijsttrekker

De peilingencarrousel heeft al weer geleid tot voorstellen om die peilingen dan maar te verbieden. De frustratie is begrijpelijk, maar een verbod is hoogst onwenselijk. Peilingen zijn nuttig om te weten wat er ongeveer leeft onder de bevolking en er is niets mis met mensen die strategisch willen stemmen. Dat is net zo legitiem als stemmen op basis van partijprogramma’s, stemhulpen, traditie, of het kontje van de lijsttrekker. Als de verkiezingsuitslag deze week inderdaad is beïnvloed door massaal strategisch stemmen, is dat niet iets wat je kiezers moet ontnemen – maar dan moeten peilingen wel de juiste informatie bevatten.

Steeds meer media tonen dat je wel degelijk normaal kunt omgaan met peilingen. Disclaimers en foutmarges zijn een begin. Media moeten er eindelijk eens voor kiezen serieus met peilingen om te gaan. Dus niet zo hijgerig als afgelopen weken, maar als grove indicatie van krachtsverhoudingen waar nog van alles aan kan veranderen – door zwevende kiezers, door strategische stemmers, door bandwagons en simpelweg door meetfouten van de peilers zelf.

Politieke redacties, neem deze discussie serieus. Een onverantwoorde omgang met peilingen is geen nieuws, maar maakt nieuws. Dat is slechte scorebordjournalistiek. Niet nodig, niet informatief en niet wenselijk. En dat ligt toch echt aan de lichtzinnigheid in de politieke journalistiek.

Tom van der Meer is universitair hoofddocent politicologie. Armèn Hakhverdian is universitair docent politicologie. Jean Tillie is hoogleraar kiezersonderzoek. Allen aan de Universiteit van Amsterdam.

Lees ook: Geef peilers niet de schuld. Strategische stemmers gokken democratie kapot