De duivel heeft zo zijn charmes

Catalin Dorian Florescu schreef een grandioze familiegeschiedenis waarin bikkelharde primitievelingen traag plaatsmaken voor een zachte mannensoort.

De eerste zin van een roman moet niet alleen verrassen, hij moet ook vooruitwijzen naar al wat komen gaat. Catalin Dorian Florescu weet dat. Zijn nieuwe roman begint zo: ‘In elke storm zit een duivel.’ Een sappig statement, niet vrij van overdrijving. En toch klopt het wat Florescu zegt. De storm in zijn epos Jacob besluit lief te hebben brengt inderdaad een duivel met zich mee. Eentje zonder horens. Jakob, met een k, arriveert bij een laaiend onweer in het dorp Triebswetter. Al gauw valt je zijn brute hardheid op. Een boerderij vat vlam, iedereen moet komen helpen om de brand te blussen, maar Jakob zegt ijskoud: ‘Dat gaat mij niets aan.’

Geven ligt hem niet. Nemen des te meer. Wat hij nodig heeft, dat eigent hij zich toe: een stuk grond, een boerderij, een achternaam, een erfgenaam, een vrouw. De arme stalknecht uit de Karpaten wil nu wel eens zelf iets bezitten. Hij heeft zijn zinnen op Elsa Obertin gezet, een rijke boerendochter die door een geheimzinnige periode in haar leven waarin ze misschien hoer was moeilijk aan de man komt. Zonder omwegen maakt Jakob haar het hof: ‘Jij hebt een man nodig voor je geluk en ik heb een boerderij nodig.’

Dat Elsa met hem in zee gaat, is nog invoelbaar ook. De duivel heeft zo zijn charmes. Jakobs gedrevenheid, zijn moed en kracht fascineren haar. En tegelijk de lezer. Zelden kom je een personage tegen dat je zo overrompelt. De schrijver past zijn stijl bij dat personage aan. De dialogen houdt hij kort en karig. Liever nog vervangt hij woorden door gebaren: van haast en intimidatie, van levenslust en haat. Florescu mijdt clichés en volgt zijn visioenen. Daar komen beelden uit voort die mensen en dingen magische kracht verlenen. Onvergetelijke beelden zijn het, origineel en toch gevoed door oeroude Oost-Europese verteltradities. Neem nu het beeld van Ramina.

Ramina is een zigeunerin. En ze is zo dik dat ze niet meer door de deur van haar hut kan. Ze blijft binnen zitten, op haar rode sofa. Als soldaten haar komen halen voor haar deportatie moeten zij de deuropening met een zaag vergroten. Ramina dragen ze met sofa en al naar buiten. Zo kijkt zij op de toegestroomde meute neer, als een koningin op een heel hoge troon.

Maar wie is Catalin Dorian Florescu? Hij werd in 1967 in de Roemeense stad Timisoara geboren. Toen hij negen was vluchtte hij met zijn vader naar de VS. Na acht maanden waren de twee alweer terug. Hun volgende vluchtpoging, in 1982, lukte wél. Vader, moeder en kind kwamen in de Zwitserse metropool Zürich terecht, waar Florescu nog steeds woont.

Hij ging er psychopathologie studeren en hielp er drugsverslaafden. In 2001 brak hij als schrijver door. Zijn eerste roman Wunderzeit schreef hij, een etnische Roemeen, meteen in het Duits. En voor zijn vijfde roman kreeg hij vorig jaar de Schweizer Buchpreis. Die vijfde roman was Jacob beschliesst zu lieben.

Geheugen

Fabuleerlust verbindt hij daarin met historisch besef. Jakobs zoon, net als zijn vader geheten maar dan met een c, vertelt het verhaal. En hij pakt flink uit. Omdat hij niet alleen uit zijn geheugen put maar ook uit verhalen van dorpsgenoten kan hij zich vrij door de eeuwen bewegen. Bij zijn eigen leven, beschreven vanaf zijn geboorte in 1926 tot in de jaren vijftig, komen nog de levens van zijn voorouders. Zo worden we meegezogen in de geschiedenis van de familie Obertin. Die geschiedenis begint in Lotharingen. De musketier Caspar loopt er verweesd rond. Hij heeft in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) gevochten, is gedeserteerd en lijdt erge honger. Dan ziet hij een boerenhuis. Zíjn huis, denkt hij, hoopt hij. Nog even de bewoners doden en hij kan erin. Maar zijn nakomeling Frederick wil er niet blijven. Hij geeft gehoor aan een oproep van keizerin Maria Theresia om met anderen het oosten van haar rijk te bevolken. Een levensgevaarlijke boottocht over de Donau brengt hem naar het Banaat, in wat nu Roemenië is. Zo leren we van alles over de Donauzwaben: etnische Duitsers die in de 18de eeuw naar Midden- en Oost-Europa trokken. Nazaten van die dappere pioniers namen Florescus epos niet in dank af.

De familie Obertin was onder hen werkelijk een belangrijke clan en dat zijn stichter, Caspar bij Florescu, met geweld een dynastie begon nemen zij hem kwalijk. Ze kunnen het hem nog minder vergeven dat hij ook van de stichter van het echt bestaande dorp Triebswetter een kille moordenaar maakt. Frederick gaat eveneens over lijken. Mensen hebben volgens Florescu nu eenmaal heel veel over voor het bemachtigen van een stukje land, een eigen plek op aarde. Omdat hij die criminele energie zo koelbloedig opschrijft, zo zonder enig gepreek, krijgen we een naar vermoeden.

Zou het kunnen dat niet alleen Jacobs voorouders maar ook de onze moordenaars waren? Dat iedereen die iets wilde bereiken meedogenloos moest zijn? Dat het heel gewoon was om in ruil voor een beetje voorspoed je geweten opzij te schuiven? En dat dat geweten toch al niet zoveel voorstelde?

Het geweten van Jakob is al net zo weinig ontwikkeld als zijn inlevingsvermogen en het minst nog verplaatst hij zich in zijn eigen zoon. Jacob stelt hem diep teleur. In plaats van een sterke nakomeling heeft hij een ziekelijk kind gekregen. Voor het boerenwerk is Jacob totaal ongeschikt. De haat van de vader leidt tot tweevoudig verraad. De eerste keer zorgt pa ervoor dat zijn zoon op transport naar Siberië moet. De tweede keer werkt hij eraan mee dat die op wonderbaarlijke wijze geredde zoon uit Triebswetter wordt verdreven.

Wie er hardere klappen uitdeelt, vader of de wereldgeschiedenis, valt moeilijk te zeggen. Hoe dan ook groeit Jacob in zware tijden op. Hij maakt het nationaal-socialisme mee en het communisme, hij ervaart deportaties en een gedwongen volksverhuizing. Maar, en dat is het enige bezwaar tegen dit boek, waar Florescus neutraliteit goed werkt bij het beschrijven van de personages, daar schiet die tekort bij het beschrijven van de politieke macht.

Een analyse van die macht ontbreekt, dus worden er ook geen schuldigen aangewezen, en geen oorzaken van armoede, honger, discriminatie en onderdrukking. De schrijfster Herta Müller, eveneens uit Roemenië, legt de mechanismen van dictaturen bloot, Florescu dekt ze toe. Omdat hij niet in politiek geweld geïnteresseerd is, maar in archaïsch geweld.

Sympathie

De titel van zijn roman misleidt. Er komt in Jacob besluit lief te hebben maar bar weinig liefde voor. In Florescus oudtestamentische universum lijkt sympathie, een vleugje maar, het hoogst haalbare. Jacob krijgt die sympathie van outsiders zoals Ramona, een Servisch meisje en een orthodoxe priester. Die stelt hem in staat om sympathie terug te geven. Zelfs met zijn vader heeft hij medelijden – uiteindelijk. Áls Florescu al een politiek thema aankaart, of een sociologisch fenomeen, dan is het de voorzichtige evolutie van de man.

De bikkelharde primitieveling (Caspar, Frederick, Jakob) verandert in een zachtaardigere soort. En die houdt zich ook nog staande. Jacob sticht zelfs een beschaving. Als in de jaren vijftig de Duitse bevolking van Triebswetter plaats moet maken voor Roemenen wordt Jacob met de zijnen in een onherbergzame streek gedumpt. Makkelijk zat om dan de moed op te geven. Maar Jacob leidt zijn volkje veilig de barre winter in. En de duivel? Die is oud en gebrekkig geworden, daar in die woestenij. Even mooi als de eerste zin is de allerlaatste. Jacob zegt dan tegen zijn vader: ‘Ik bouw een huis voor ons aan het einde van de wereld.’ Zo herhaalt de geschiedenis zich, met een heuglijke twist. En tussen de eerste en de laatste zin ontvouwt zich, compleet met schoonheidsfoutje, een grandioos verhaal.