Baantjes trekken voor het leven

Vijf keer per week ging de wekker om half vijf. Dan stond Leanne Shapton op, in het holst van de Canadese winter, trok twee of drie zwempakken over elkaar aan, daaroverheen joggingbroeken, t-shirts, sweatshirts en een dikke parka. In de keuken maakte ze een mengsel van deeg, suiker en warme melk (‘muffin in een kopje’) en vervolgens stapte ze bij haar moeder in de auto om nog vóór school twee uur naar zwemtraining te gaan.

Het was zo koud dat op de terugweg haar natte haar soms vastvroor aan de autoruit.

‘Altijd aanwezig is de geur van chloor, en de zwevende sneeuw in het donker,’ schrijft Shapton in Swimming Studies, een bundel geschreven en geaquarelleerde fragmenten over haar leven als verdwaalde zwemster. Tussen haar twaalfde en haar veertiende trainde ze intensief voor de Olympische Spelen, ze bracht het tot kwalificatiegroepen en was op een gegeven moment achtste van het land. Toen haakte ze af, werd kunstenares en grafisch ontwerpster; een vrij succesvolle zelfs, ze werkte als art director voor The New York Times en haar licht nostalgische boekomslagen komen ook Nederlandse lezers bekend voor. Shaptons vrije werk neemt vaker de vorm aan van een boek: in 2010 verscheen Belangrijke voorwerpen en persoonlijke bezittingen uit de collectie van Lenore Doolan en Harold Morris, (besproken in Boeken, 22.01.10), de neerslag van een verbroken relatie in de vorm van een veilingcatalogus. Een liefde aan de hand van alle, nu betekenisloze parafernalia die er vorm aan gaven, van witte sokken ‘zelden gedragen’, tot verdroogde klavertjes vier.

Swimming Studies is ook zo’n nostalgische, schijnbaar willekeurige verzameling, maar dan autobiografisch. Het is een bundel jeugdherinneringen aan zwemmen, observaties over de sport, geïllustreerd met rijen aquarellen. Shapton voelt zich thuis in de opsomming en de herhaling, iets wat ze heeft overgehouden aan het baantjes trekken: ‘Na honderd workouts zou ik misschien sneller zijn. Na honderd pagina’s, honderd schetsboeken voelt het misschien goed. Ik vul schetsboeken met repetitieve schetsen, serie na serie.’

Bedrieglijk

‘Al twintig jaar zoek ik naar de focus die ik had toen ik zwom,’ schrijft Shapton in haar boek, dat in zijn fragmentatie en intimiteit precies laat zien waarom ze geen zwemster werd en wel kunstenares. De losse compositie is even charmant als bedrieglijk. Shapton beschrijft busritten met haar zwemteam, en wat een zwemster hoort tijdens een race. Ze schrijft over haar ouders, een middenklassegezin uit Canada, haar moeder van Filippijnse afkomst, ze beschrijft het genot van eten na de training, de band met haar broer met wie ze schipbreukeling speelde in het zwembad, de altijd aanwezige spierpijn. Eindeloos bekijkt ze documentaires over zwemmers als Michael Phelps, maar het mooist eraan vindt ze de beelden van ‘de keukeninterieurs, de glazen melk, een zwemmer die zijn avondeten eet.’

Shapton is kortom wel geconcentreerd, maar niet op zwemmen. Ze is niet gebiologeerd door winnen maar door details die alleen haar opvallen. Ze heeft foto’s opgenomen van alle zwempakken en bikini’s die ze ooit droeg (doorgaans tweedehands), ze tekent medezwemmers van vroeger en maakt ecoline ovaaltjes die geuren van vroeger moeten verbeelden. Haar bijschriften zijn een wonder van detail en dus vermoedelijk eerder ontleend aan haar verbeeldingskracht dan aan haar geheugen. De geur van een natte zwemhanddoek: ‘zware noten van chloor, toets van knoflook, en bruin brood.’

Van veel zwembaden waarin ze heeft gezwommen – ze is getrouwd met een topman van Condé-Nast en bezoekt nogal wat hotels – herinnert ze zich bouwjaar en details, en van al die baden heeft ze het oppervlak geschilderd, blijkt achterin het boek.

Uitgelubberd

Wie ongevoelig is voor de tragiek van oude uitgelubberde zwempakken, of voor de beschrijving van een schoonheidswedstrijd tussen ontbijtgranen (‘ik legde alle Honey Nut Cheerios op een rijtje en at de mooiste het laatst’) zal dit boek met een zucht terzijde schuiven. Een ander dompelt zich graag onder in Shaptons curieuze en onthechte wereld, in haar beschrijvingen (de kleur van een oud poloshirt wordt getypeerd als ‘preppy vomit’) en haar aquarellen van een eenzame en zo te zien zielsgelukkige zwemster. Ondertussen bouwt zich uit alle fragmenten een roman op, of in elk geval een psychologisch portret. De wedstrijdzwemmer houdt niet van de ‘verdachte, olijfgroene diepten’ van open water (er is een heel hoofdstuk over Jaws). In de overzichtelijke wereld van het zwembad is hij vrij zich over te geven aan zijn ‘domme focus’, vrij om lichaam en geest tot het uiterste te dwingen, totdat, om met Stanislavski te spreken, ‘het moeilijke makkelijk wordt en het makkelijke gewoon, waardoor het gewone uiteindelijk schoonheid wordt’.

Shapton heeft heimwee naar de tijd dat ze zich nooit vragen hoefde te stellen, naar leven met een structuur, een doel en een coach die je vertelt wat je moet doen en wat je moet willen. Haar man leerde haar ‘baden’, zwemmen voor de lol. In het zwembad trekt ze nu slechts ‘spookbaantjes’, want niet voor een wedstrijd. Hoeveel doelen ook, uiteindelijk doet een mens niks dan dobberen. Via dit unieke logboek verzoent Shapton zichzelf én de lezer met dit feit.