Aan hem vastgezogen als een vis

Hoe jong het Vlaamse talent Y.M. Dangre ook is, zijn tweede roman gaat over leven en liefde van twee bejaarde mannen – met een knipoog naar Marcel Proust.

Een wonderkind in het verborgene, zo zou je Y.M. Dangre wel kunnen omschrijven. Twee-en-twintig was de Vlaming toen hij debuteerde met de roman Vulkaanvrucht – en er de Vlaamse debuutprijs voor kreeg. Drie-en-twintig was hij bij de publicatie van zijn eerste dichtbundel Meisje dat ik nog moet, genomineerd voor de C. Buddingh’ Prijs. En, o ja, enkele weken na zijn 24ste verjaardag werd hij met vijf foutjes tweede prominent bij het Groot Dictee der Nederlandse Taal.

Desondanks werden de eerste twee boeken van Dangre in Nederlandse kranten amper opgemerkt – ten onrechte. De beginzinnen van zijn debuut Vulkaanvrucht maakten al duidelijk dat provocatie eerder zijn fort was dan bescheidenheid: ‘Het geneuk. Het had niet lang geduurd, nauwelijks vijf minuten hadden ze hun frisgewassen lichamen, als waren het hompen dood vlees, tegen elkaar gekwakt alsof hun geslachtsdelen mond-op-mondbeademing en hartmassage tegelijk toepasten.’ Al even unverfroren dook de jonge auteur in de psyche van een vrouw die met halve tegenzin haar man verlaat om te gaan samenwonen met haar minnaar en diens puberzoon.

Nu, bij de verschijning van zijn tweede roman Maartse kamers, is Dangre nog steeds pas 24 en heeft hij de belangstelling voor lichamelijke scènes nog niet verloren: ‘Ik had geen andere keus dan mijn mond als een vis op die van Albert vast te zuigen, waarbij ik na elke ademstoot krachtig op zijn borstkas duwde, maar het hielp niet, elke duw leek alleen maar mijn eigen zweetafscheiding te verergeren.’

Alleen is de mond-op-mondbeademing nu geen metafoor meer. Het is bittere ernst. Aan het woord is Fernand, een 80-jarige man die probeert Albert, de even oude liefde van zijn leven, weer bij kennis te brengen. Hij zal daar niet in slagen.

Zo heeft Dangre zich in zijn tweede boek nog verder verwijderd van het jongerenleven: we volgen in Maartse kamers een bejaarde man die in het aangezicht van de dood van zijn partner zijn leven en zonden overdenkt.

De meeste aandacht gaat daarbij uit naar de tijd waarin Fernand nog de kracht had om zijn eigen glazen in te gooien. Dat deed hij rond zijn veertigste, toen hij – de eerste en enige keer in zijn leven – bezweek voor een vrouw. Twee weken lang deelde hij dagelijks bed, achterbank en plekjes in de vrije natuur met de roodharige Celeste. Tot het moment dat hij niet de moed kon opbrengen om Albert voor haar te verlaten. Hij probeerde te vluchten voor Celeste, maar werd ingehaald door de natuur: uit de verhouding werd een dochter geboren, Madeleine.

Fernand zou Albert nooit over haar bestaan vertellen. Zo is Maartse kamers ook in dat opzicht het spiegelbeeld van Vulkaanvrucht: ging die roman over de complicaties in het leven van een vrouw die haar man verlaat voor haar minnaar, hier draait alles om de ellende van een man die zijn partner niet in de steek laat.

De verhouding tussen Fernand en Albert wordt door Dangre, uit wiens werk geen lichtvoetig mensbeeld opstijgt, knap geschilderd in een reeks klassieke kibbelscènes tussen de intellectueel Fernand en de flierefluiter Albert – waarbij het vaste patroon is dat Fernand zich stoort aan zijn vriend, maar hem nooit kan weerstaan als deze aan hem begint te frunniken. Want hij is nu eenmaal aan hem verslingerd: ‘aan zijn nichterige beweginkjes, zijn indiscretie, zijn vreugde, intact gebleven als bij een kind van tien, zijn zorgzaamheid, zijn roddelcommentaren, zijn volstrekte onbelezenheid, zijn alles, tot en met zijn sletterigheid toe.’

Wat die sletterigheid betreft: Albert is dag aan dag weg om zich te vermaken met de jongens op de tennisclub, terwijl Fernand het ene flesje bier na het andere leegdrinkt, opgesloten in de logeerkamer.

De haat en nijd tussen de twee mannen bereikt hier en daar grote hoogten: ‘Een dag was ik er zo pissig van geworden dat ik me afrukte boven de aardappelpuree. Fernand had er niets van gemerkt en heeft het met die beate kop van hem volledig opgeslokt.’ Inderdaad: Dangre kan het soort beelden scheppen waarvan je achteraf betwijfelt of je ze gelezen wil hebben.

Daarnaast is zijn talent vooral het tonen van de momenten waarop mensen niet meer weten wat ze doen, of waarom. Dat geldt voor de uitbarstingen van de twee heren onderling, maar ook voor de verhouding tussen Fernand en Celeste, waarvan de details geleidelijk aan uit de doeken worden gedaan.

In de ontrafeling van dat verleden zit de voornaamste zwakte van Maartse kamers. Dangre blijft sterke scènes aaneenrijgen, maar de personages zijn in het begin van de roman al zo goed getekend dat er aan hen niet veel nieuws te beleven is. En dan zie je ineens de onervarenheid van Dangre; hij weet zich nog niet goed raad met de plot.

Dat komt ook omdat al snel duidelijk is van welke figuren uit de wereldliteratuur Fernands naaste familie zijn: Emma Bovary en de onverschrokken ridder Don Quichot – twee helden die zozeer geloofden in de boeken die ze lazen, dat ze de realiteit (en zichzelf) uit het oog verloren. Fernand is geheel in de ban van Proust – en meer nog dan hij zelf beseft. Want de liefde op het eerste gezicht die hij als twintigjarige voelde voor Albert is die van Marcel Proust voor zijn Albertine (die weer was gemodelleerd naar een jongen).

Van die parallel is Fernand zich nog redelijk bewust, hij gebruikt Albertine ook als koosnaam voor zijn man. Dat geldt veel minder voor de onweerstaanbare aantrekkingskracht die hij voelt voor Celeste, een vrouw met de naam van de huishoudster die Proust tot zijn laatste dagen trouw bleef.

De geestige vernoeming van de dochter naar het klassieke cakeje uit À la recherche du temps perdu is in de roman het initiatief van Fernand. Die beseft amper hoezeer hij gestuurd wordt door het verlangen om in de voetsporen van zijn grote held te treden. Intussen verwijst zijn naam (net als zijn uiterlijk zoals dat door Dangre wordt beschreven) naar Prousts vriend, de schrijver Fernand Gregh.

Zo valt er voor Proust-puzzelaars nog veel meer uit Maartse kamers te vissen, maar dat is natuurlijk de hoofdzaak niet. Belangrijker is dat Fernand een man is die niet alleen – zoals alle mensen die ouder worden – het contact met zijn ‘verloren tijd’ verbroken ziet worden, maar ook die met het heden. Hij heeft zich het leven door de vingers laten glippen, verteerd als hij werd door zijn ene misstap. En daarbij ziet hij zelf niet meer wat Dangre tussen de regels door wél heel helder laat uitkomen: dat hij het als vader-op-afstand van Madeleine helemaal zo slecht niet heeft gedaan. Uiteindelijk is hij degene bij wie zij een kopje thee gaat drinken als ze gaat scheiden en hulp nodig heeft.

Wat je het meeste bijblijft van Maartse kamers is iets vergelijkbaars. Want Dangre mag genadeloos zijn in de beschrijving van de akeligheden die Fernand en Albert met elkaar (en de aardappelpuree) uithalen, het portret van deze twee valse nichten is met veel liefde geschetst. Want al ver voor de (iets te expliciete) slotzin van de roman weet je dat er over de diepte van de verbondenheid tussen de twee mannen geen misverstand kan bestaan. Dit is echte liefde.