Toen schandalig, nu klassiek

In 1912 werd in Keulen de eerste grote expositie van moderne kunst gehouden. Bezoekers raakten beledigd of verward. Van die tentoonstelling is nu een reconstructie gemaakt.

Het Wallraf-Richartz-Museum in Keulen heeft een reconstructie gemaakt van een van de invloedrijkste tentoonstellingen van moderne kunst in Duitsland, die 100 jaar geleden plaatsvond. De expositie 1912 – Mission Moderne laat zien hoe het conservatieve Duitse keizerrijk voor het eerst kennismaakte met moderne kunst.

De tentoonstelling was in 1912 door de zogenoemde Sonderbund Westdeutscher Kunstfreunde und Künstler georganiseerd, een verzameling vooruitstrevende kunstliefhebbers, galeriehouders en kunstenaars. „Deze kring wilde een overzicht geven van de jongste generatie schilders uit Europa, en het verband laten zien met voorlopers als Van Gogh, Cézanne, Gauguin en Picasso”, vertelt de curator Barbara Schaefer. Zij deed jarenlang onderzoek naar de tentoonstelling uit 1912 en stelde er een vuistdikke catalogus over samen.

De Sonderbund had al vier eerdere tentoonstellingen georganiseerd, in Düsseldorf. Daarbij was een publieke discussie ontstaan over de vraag of er niet te veel buitenlandse schilders werden getoond. Om deze stemmen tot zwijgen te brengen, wilde de Sonderbund op de tentoonstelling in 1912 laten zien dat de Franse schilderkunst de basis was waaruit alle moderne Europese kunst was ontstaan.

Maar in Düsseldorf was de organisatie door de ontstane discussie niet meer welkom. Keulen, dat op economisch en cultureel gebied rivaliseerde met Düsseldorf, ontving de Sonderbund evenwel met open armen. De organisatoren kochten om de tentoonstelling te huisvesten een tijdelijke hal aan die was gebruikt op de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1910. Deze werd neergezet bij de Aachener Tor in Keulen.

Op de tentoonstelling werden maar liefst 650 werken bijeengebracht uit alle delen van Europa. Vijf zalen met daarin 125 werken waren gewijd aan Vincent van Gogh , die in die tijd eerder werd gerekend tot de Franse schilders dan tot de Nederlanders. Daarnaast waren er zalen gewijd aan de grote Franse pioniers Paul Cézanne, Paul Gauguin en de Spanjaard Pablo Picasso. Ook de Franse neo-impressionisten Henri-Edmond Cross en Paul Signac hadden hun eigen zalen, net als de Noor Edvard Munch. De laatste zaal was gewijd aan de Duitser August Deusser, die zelf een van de organisatoren van de tentoonstelling was.

In de overige zalen waren de kunstenaars gegroepeerd naar land. In de Oostenrijkse zaal hingen bijvoorbeeld werken van Oskar Kokoschka en Egon Schiele. Om te laten zien welke talenten zich bevonden in eigen land waren er acht zalen gewijd aan jonge Duitse schilders, met name leden van de kunstbewegingen Die Brücke (Dresden) en Der Blaue Reiter (München).

Witte muren

De manier waarop de kunstwerken werden getoond was voor die tijd bijzonder vooruitstrevend. Tot dan toe werden zoveel mogelijk schilderijen naast en boven elkaar op één wand gehangen. De Sonderbund wilde de werken meer individuele ruimte geven, zodat ze meer nadruk kregen. De tentoonstellingszalen hadden witte muren, waarop de schilderijen in strakke zwarte lijsten hingen, in één of twee rijen. Die manier van presenteren is nu zo algemeen dat het niet meer bijzonder lijkt, maar dat was het in die tijd wel. Net als de manier waarop de bezoekers werden ontvangen. Ze kregen een catalogus waarin de namen van de kunstenaars en hun werken stonden, iets wat toen nog geen gewoonte was. Er was een speciale ruimte ingericht waar de bezoekers even konden pauzeren en wat konden drinken. Ook dat bestond niet eerder.

De grootste verrassing voor de bezoekers bevond zich in het midden van de tentoonstelling: een kapel van dertien meter hoog met gewelven en boogramen. In deze donkere ruimte scheen licht door glas-in-loodramen van de Nederlander Johan Thorn Prikker. De kunstenaar had de ramen ontworpen voor de Driekoningenkerk in Neuss.

De ramen van Thorn Prikker veroorzaakten een schandaal. In de ogen van de katholieke autoriteiten waren ze veel te modern. De priester die ze had besteld werd uit zijn ambt ontheven. Het duurde tot 1919 voor de ramen alsnog werden aangebracht in de kerk waarvoor de kunstenaar ze had ontworpen.

De tentoonstelling veroorzaakte een schokgolf bij het Duitse publiek. Duitsland was in 1912 nog een keizerrijk en de burgerij had een behoudende instelling. „Je kunt het je nauwelijks meer voorstellen”, zegt curator Schaefer. „Maar afgezien van de echte kunstliefhebbers waren de meeste mensen in Duitsland honderd jaar geleden nog niet vertrouwd met expressionistische kunst. In musea werd uitsluitend academische kunst getoond. Historische en religieuze voorstellingen, conservatieve kunst. Iemand als Van Gogh werd nog beschouwd als een kleine, onbelangrijke kunstenaar.”

Lynchpartijen

De reacties van het publiek en de dagbladpers waren „vernietigend”, zegt Schaefer. Het dagblad Kölner Stadt-Anzeiger schreef dat de expressionistische werken maar beter bewaakt konden worden „voor het geval hun wartaal zou leiden tot lynchpartijen”. Bezoekers verlieten het pand beledigd of in verwarring, wegens de in hun ogen absurde manier waarop de moderne schilders het menselijk leven hadden afgebeeld: in vreemde kleurstellingen, met stipjes, klodders en wilde vegen. Ook het vele naakt op de schilderijen werd als aanstootgevend ervaren. „Maar kunstcritici waren diep onder de indruk, bleek uit artikelen in vakbladen”, zegt Schaefer. „Daarin werd meteen erkend dat dit een zeer belangrijke tentoonstelling was.”

Het nieuws over de tentoonstelling drong door tot in Amerika. De Association of American Painters and Sculptors zond een vertegenwoordiger naar Keulen om te gaan kijken. Deze maakte met de organisatoren in Keulen afspraken over het lenen van een aantal werken, die in 1913 werden getoond op de International Exhibition of Modern Art in New York, beter bekend als Armory Show, die naderhand ook was te zien in Chicago en Boston.

Op de nu legendarische Armory Show zou oorspronkelijk alleen werk van Amerikaanse schilders worden tentoongesteld, maar de organisatie besloot in navolging van Keulen ook de voorlopers uit Europa te presenteren. Op de Amerikaanse tentoonstelling werden de schilderijen op soortgelijke wijze gepresenteerd als in Keulen. Daarmee was een trend gezet. „Ook de eerste Documenta in Kassel, in 1955, werd opgezet naar het voorbeeld van de Sonderbund-tentoonstelling”, zegt Schaefer.

Van de tentoonstelling in Keulen is nauwelijks archiefmateriaal. Er zijn slechts enkele foto’s van de ruimtes bewaard gebleven, waarop te zien was hoe de werken opgehangen waren. Daarnaast was er de catalogus uit 1912, maar sommige werken waren zo beknopt omschreven (‘stilleven’) dat ze moeilijk te achterhalen waren. Niettemin is Schaefer erin geslaagd bijna alle 650 werken die in 1912 tentoongesteld waren, te traceren.

Niet alle werken konden opnieuw worden geleend, maar Schaefer heeft er toch nog 125 uit alle windstreken bij elkaar weten te brengen, waaronder vijftien Van Goghs. Onder meer het Van Gogh Museum in Amsterdam leende werken uit, net als het MoMA in New York, het Munch Museum in Oslo en Musée d’Orsay in Parijs. Ook vele particuliere verzamelaars stemden erin toe werken in bruikleen te geven. „Veel van deze werken waren jarenlang niet in het openbaar te zien”, zegt Schaefer. „Dat ze hier in Keulen bij elkaar zijn, maakt het tot een unieke expositie. Omdat er zoveel partijen bij zijn betrokken is het niet mogelijk de werken ook in een ander museum te laten zien.”

Schaefer zal volgend jaar ook de Armory Show in New York reconstrueren. „Maar het is veel moeilijker om die werken bij elkaar te krijgen”, zegt ze. „Die tentoonstelling zal voornamelijk bestaan uit een historische reconstructie aan de hand van foto’s en documenten.”

Tentoonstelling ‘1912 - Mission Moderne’ in Wallraf-Richartz-Museum, Keulen. T/m 30 dec. Inl: wallraf.museum