Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Er zij film!

Associatief, heel persoonlijk en met verbluffende kennis van zaken beweegt de Ierse filmjournalist Mark Cousins zich kriskras door de filmhistorie. De vijftien uur van zijn The Story of Film vliegen voorbij.

Douglas Fairbanks als ‘The Thief of Bagdad’ (1924)

Lang geleden…Of nee. Helemaal niet zo lang geleden. Nog geen 110 jaar terug bestond de mens het om via bewegende stroken celluloid een bundel schaduwen op een witte muur te projecteren.

Er zij film! En er was film.

De cinema bestaat nog maar net. De legendarische filmcriticus Charles Boost (1908-2001) legde mij, zijn beginnend collegaatje, uit dat de cinema niet meer de oude was sinds de kleurenfilm. Of nee, zei hij nadenkend, eigenlijk was het al mis sinds de geluidsfilm. Onzin, vond ik, maar dat durfde ik niet te zeggen.

Dit gesprekje is van zo’n dertig jaar geleden. Dat is nogal wat, maar niettemin: ik kende Charles. En Charles was erbij toen film nog jong was. Via hem kan ik mijn vinger uitsteken naar het begin van de film.

En toch is het te laat. De wereldcinema verschilt niet meer van de wereldliteratuur of de wereldschilderkunst. Ze zijn zo groot. Ook al krijgen we de rest van ons leven vrij, dan nog lukt het ons niet meer om de filmkunst werkelijk helemaal te overzien.

Maar het is te proberen.

En dat is wat Mark Cousins, filmjournalist, voormalig directeur van het Edinburgh-filmfestival en Ier, doet met zijn serie The Story of Film: An Odyssey.

Hij dwaalt over de wereld, gejaagd door de wind, net als Odysseus. Anders dan de Griekse held zoekt hij niet naar zijn huis maar naar de filmkunst. Hij volgt persoonlijke impressies, obsessies en associaties, belandt waar zijn intuïtie hem brengt. Hij pakt het zo’n beetje chronologisch aan, maar als het hem uitkomt springt hij op en neer in de tijd. Van de scène met de opwaaiende rok van Marilyn Monroe in The Seven Year Itch (1955). reist hij direct naar 1901 want, zo weet hij, toen al besefte iemand de filmische kracht van een rok boven een luchtrooster. Het gaat om een filmpje van een paar minuten, What happened on 23th street, New York. Het is hetzelfde als bij Monroe en het is ook totaal anders. Maar het laat zien hoe filmers denken, hoe actrices genot en pret kunnen verbinden, hoe het publiek met een zwiep kan worden overweldigd. Het duidt aan hoe de cinema iets beheerste waar de andere kunsten alleen van konden dromen: een wereld aan indrukken bevatten in een oogwenk.

Cousins ziet op de vreemdste plekken dwarsverbanden. Hij kan wilde conclusies trekken, maar je vergeeft hem alles. Want wat hij ook beweert, hij staaft wat hij verzint met prachtige stukjes film, en die wil je sowieso zien.

Deel 1 van The Story of Film gaat over het begin, over de zwijgende film. Maar eerst springt hij naar een stukje Saving Private Ryan van Steven Spielberg, over de landing van de GI’s op de Normandische kust – een fragment onder de zeespiegel. Het kolkende zeewater dempt het geluid. O ja, denk je, zwijgende film, de rol van het geluid. Maar over geluid gaat het nog niet. Cousins zegt bij de beklemmende beelden van naar adem happende militairen: „This is filmmaking: the art of making us feel that we are there.”

Voor het eerst horen we zijn manier van praten. Dat is even wennen: slepend, met zangerige Ierse tongval. Die stem benadrukt dat dit een persoonlijk verhaal is, de visie van Mark Cousins. Zonder dit Iers zou dit een andere film zijn.

Nu gooit Cousins ons een stukje van Kieslowski’s film Trois couleurs: bleu toe. Belangrijke film, 1993 – maar al bijna weer vergeten. Een vrouw in de zon ziet voorbij aan een klein drama; de kijker zou te hulp willen schieten. Cousins zingzegt: „This is film: cinema as an empathy machine.”

Zo. Dat staat. Hij gaat van start met zijn odyssee, nu echt: „1895. The world discovers a new art form.” De cinema begint. Geluidloos, maar o zo veelzeggend.

Arglistig ontfermt Cousins zich over de filmgeschiedenis. Zonder wetenschappelijke pretenties, het is niet ‘the history’ maar The Story of Film. Hij vertelt zíjn ‘verhaal’, in vijftien delen documentaire van telkens een uur. Hij brengt systeem aan in de waanzin die hem beheerst: de gekte van de cinefiel. Hij reist van het ene land naar het andere, bezoekt plekken waar hij echo’s aan kan wijzen van films, genres, momenten, calamiteiten. Hij presenteert honderden filmfragmenten en tientallen interviews met ooggetuigen, of met mensen die ooggetuigen hebben gekend. Zijn die er niet meer, dan bedient hij zich van archiefmateriaal. Hij rechercheert een eerste keer van de filmtechnieken. Wie maakte het eerste special effect? Wie zette als eerste de camera voor op een trein en verzon the phantom ride? Wanneer keerde er iemand voor het eerst zijn rug naar de camera? Hij traceert de eerste close-up: het gezicht van een poes die met een lepeltje wordt gevoerd door een klein meisje, toen de film nog maar net bestond. Hij associeert de poes naar Once Upon a Time in the West: de ogen van Charles Bronson, cinemascope-breed in beeld gebracht – en wat dat betekende.

Vijftien uren lijkt veel, maar het kostte geen moeite. Twee weken lang ‘deed’ ik elke dag één aflevering. Ik zag hoe film begon als variatie op het theater. Hoe film gaandeweg de literatuur, de beeldende kunst, en de muziek inlijfde. Hoe het al die dingen versmolt tot eigen vertelmethodes. Hoe deze nieuwe kunst leek op een spiegel van de werkelijkheid en die werkelijkheid al snel grandioos overtrof.

The Story of Film waaiert vanuit het oude Europa over de wereld, Brazilië, Afrika, Azië, kriskras, zigzag. En steeds keert hij terug naar Los Angeles, naar het verwonderland van de filmindustrie. Naar Hollywood, waar het hart van de filmkunst klopt. Ontegenzeggelijk, ook al hamert Cousins erop dat film veel meer is.

Deel 4. Ongemerkt zijn we weer eens aan de andere kant van de Atlantische Oceaan beland. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Het legendarische Le Quai des Brumes. „Een film met neergeslagen ogen”, typeert Cousins die film. We verkassen naar Polen, naar de jonge Roman Polanski, met een uniek fragment van een van zijn eerste films.

Alfred Hitchcock krijgt aparte aandacht, als de belangrijkste beeldensmid van de twintigste eeuw. ‘Hitch’ is belangrijker dan Picasso, beweert Cousins voortvarend, en hij komt met zeven argumenten. Hitchcock liet zien dat films te sterk zijn voor realisme. Hitchcock begreep dat angst iets anders is dan schrikken. En zo volgen er nog vijf redenen. De welgemikte filmclips doen meer dan overtuigen, ze stemmen tot liedjes van verlangen. Ik zit te kijken en ik merk dat ik al die films wil zien, voor het eerst of voor de zoveelste keer.

En zo gaat het voort. Cousins’ kennis is groot, zijn associatievermogen is rijk en zijn greep op het materiaal is sterk, steeds weer. Hij maakt de dienst uit. Dat betekent dat iedereen titels en ontwikkelingen zal missen. Highlights worden overgeslagen, terwijl je je af kunt vragen of The Thief of Bagdad (1924) echt zo belangrijk is als Cousins hem vindt. En: voor Cousins bestaan er geen slechte films. Alles is even goed. Mensen kunnen mislukken, films niet.

The Story of Film is vanaf donderdag te zien in 9 bioscopen. Tegelijkertijd op dvd (circa 45 euro).