Strategische stem is vooral onstrategisch

Je kunt je laten meeslepen in de race om de grootste partij, maar dat is nogal zinloos. Het is toch niet duidelijk wie met wie zal regeren, betoogt Anouk van Kampen.

Ik heb strategisch stemmen nooit begrepen. In Nederland althans. Toen ik eind april voor de Franse presidentsverkiezingen stemde, wist ik dat het weinig zin had om op Les Verts of MoDem te stemmen. De kans dat zij in een tweede ronde uit zouden komen, was minimaal. Een stem is daar daarmee al snel strategisch. De keer dat een kleinere partij, Front National, in de tweede ronde mocht uitkomen, in 2002 tegen de UMP van Chirac, was uitzonderlijk.

Maar in Nederland wordt een strategische stem iedere verkiezing weer onzinniger. Toch mondt iedere vraag van mij aan een willekeurige kennis over wat hij gaat stemmen uit in een lange verhandeling, over hoe GroenLinks of D66 eigenlijk zijn keuze zou zijn. Maar, zegt de kennis vervolgens, strategisch zou zijn op PvdA te stemmen. Als de PvdA vervolgens de grootste zou worden, en als die partij een kabinet zou mogen vormen, als dat vervolgens een links kabinet zou worden, dan zou stemmen op PvdA toch verstandiger zijn dan stemmen op de geliefde, maar kleine partij van mijn kennis.

Strategisch stemmen is vooral erg onstrategisch. De strategische stem is gebaseerd op onvoorspelbare uitkomsten. Vooral de peilingen worden bij de overweging betrokken, maar die fluctueren enorm.

Bovendien kan ik niet voorspellen welke keuzes de door mij gekozen partij zal maken. De VVD en de PvdA worden als gedoodverfde vijanden gezien, maar het is niet te zeggen of zij elkaar na 12 september alsnog in de armen vliegen. De meeste lijsttrekkers durven nog steeds niet zwart op wit te stellen met welke partijen zij willen samenwerken, en vooral met welke niet. De uitkomst van een formatie is, met een eindeloze combinatie van grote en kleine partijen, niet meer te voorspellen.

Nog belangrijker dan de onvoorspelbaarheid en daarmee onzinnigheid van strategisch stemmen, is deze toenemende invloed van de kleine partijen. Het politieke landschap is zo versnipperd geraakt dat er geen sprake meer is van overweldigend grote partijen. Er is geen groot links en groot rechts, zoals in Frankrijk. Ook een partij met weinig zetels, zoals de SGP, blijkt een beslissende rol te kunnen spelen. De rol van de oppositie wordt, met kabinetten van kleine meerderheden, steeds groter.

Een dag voor de verkiezingen weet ik nog niet op welke partij ik wil stemmen. Maar een grote partij hoeft het niet te worden. Ik hoef me niet te buigen over wie de grootste wordt, of over mogelijke kabinetsformaties op basis van niet uitgesproken voorkeuren door geheimzinnig kijkende partijleiders.

Strategisch stemmen is voor mij stemmen op de partij waar je het meeste achter staat. Een partij die inspireert, die me vertelt waarom ik op die partij moet stemmen en niet waarom andere partijen slecht zijn. Een partij die zich niet richt op oneliners in de trant van „U krijgt een tien voor stoerheid, maar een nul voor eerlijk delen, gemiddeld is dat een vijf: u bent gezakt.”

Een partij die het over inhoud heeft. Dat alleen lijkt de laatste tijd al moeilijk genoeg.

Anouk van Kampen is medewerker van NRC Handelsblad.