Marijnissen: schoonheid leert ons de moraal

Roland Ophuis: ‘Gacaca, 4 Hutu prisoners during their trial, Rwanda 2005-2010’
Roland Ophuis: ‘Gacaca, 4 Hutu prisoners during their trial, Rwanda 2005-2010’

Linkse hobby. De keuze van Jan Marijnissen. Museum Jan Cunen, Molenstraat 65, Oss. T/m 20 januari. Inl: museumjancunen.nl

Dit weekend, vlak voor de verkiezingen, is in Museum Jan Cunen een tentoonstelling van door Jan Marijnissen gekozen kunstwerken open gegaan. De timing is enigszins toevallig, want het plan dateert uit april, vóór de val van het kabinet. De oud-leider van de SP heeft de expositie samen met een conservator van het museum ingericht en gaf die de sarcastische titel Linkse Hobby.

Marijnissen houdt van beeldende kunst. Wanneer hij een kunstwerk bekijkt, zo vertelt hij in een toelichting, kijkt hij vooral naar de manier waarop het is gemaakt, hij let op materiaal- en kleurgebruik, op de ordening van het vlak van een schilderij, hij apprecieert de ambachtelijkheid van kunst. Zijn voorkeur gaat uit naar abstracte schilderkunst en hoewel hij aanvankelijk niets op had met de „burgerlijke braafheid” ervan, ontwikkelde hij ook waardering voor de „stilte en eenvoud” van Nederlandse negentiende-eeuwse schilderkunst. Zo koos Marijnissen een klein werk van de Haagse Schoolschilder Weissenbruch, Boerderij te Nieuwkoop, dat een spiegelende sloot en ruime wolkenlucht laat zien, een verstild kerkinterieur van Johannes Bosboom, de Oosterkerk te Hoorn (1866) en een bijna-abstract, symbolistisch schilderijtje, Het betoverde kasteel (ca. 1880), van Matthijs Maris.

Marijnissen heeft een hekel aan hoogdravende kunsttheorie. Hij benadert kunst intuïtief. Dat is af te lezen aan zijn selectie van abstracte schilderijen. Naast het meditatieve reliëfje van Jan Schoonhoven uit 1972 hangt een speelse compositie van de Haagse schilder Wim Sinemus met roze, lichtblauwe en lichtgrijze kleurvlakken en zwarte grafische accenten uit 1964. Maar in dezelfde zaal hangen ook een slap schilderij van Ton Frenken uit 1984 en een grote houtskooltekening in een nietszeggende retrostijl van Ad van Campenhout (2004), die zich beide op geen enkele manier kunnen meten met Schoonhoven en Sinemus. In de volgende zaal vormen De spirit van de Iniet van Lucassen (1985) en de materieschilderijen van Bram Bogart en Jaap Wagemaker uit de jaren vijftig van de vorige eeuw daarentegen wel een sprekend geheel.

Schoonheid is een belangrijk aspect van kunst, vindt Marijnissen. „Schoonheid brengt het beste bij mensen boven” en „is een transportmiddel voor de moraal”. Deze opvatting roept de oude socialistische gedachte van kunst ter verheffing van het volk in herinnering. Dit is ook terug te vinden in het verkiezingsprogramma van de SP, waar de nadruk wordt gelegd op kunsteducatie. Helaas geldt deze positieve aandacht niet voor het kunstonderwijs.

Aan de ingewikkelde vraag wat ‘schoonheid’ in de hedendaagse kunst zou kunnen betekenen waagt Marijnissen zich niet. Dat hij de ijle regenboog (1996) van Jan Andriesse onder de noemer van schoonheid presenteert, is voorstelbaar. Maar hoe dat bijvoorbeeld zit met het quasi-naïeve, saaie schilderij van Roland Ophuis (2010) van vier Hutugevangenen die op hun veroordeling zitten te wachten, is minder duidelijk.

Ondanks dergelijke ongerijmde combinaties is de keuze van Marijnissen een sympathieke tentoonstelling met verrassende momenten. Zo hangt onopvallend tussen de schilderijen een klein 16de-eeuws, houten devotiebeeld van Christus op de koude steen. In de hal hangt een geslaagde fotoserie van Helena van der Kraan, van een bedrijventerrein in Rotterdam dat zij gedurende een jaar fotografeerde onder steeds wisselende weersomstandigheden (2003). Marijnissen toont zich een amateur in de beste zin van het woord: een oprechte kunstliefhebber die de ontwikkelingen in de kunst voor zover mogelijk volgt.