Geen malaria, maar die andere enge muggenziekte

An Aedes mosquito, with its distinctive black and white striping, sits on a thumb in Singapore on Thursday, September 1, 2005. Singapore said it's stepping up efforts to fight dengue fever, which infected a record number of people last week and has already killed eight people this year, as many as it claimed in all of 2004. Aedes mosquitos are the vector for the dengue virus. Photographer: Jonathan Drake/Bloomberg News
An Aedes mosquito, with its distinctive black and white striping, sits on a thumb in Singapore on Thursday, September 1, 2005. Singapore said it's stepping up efforts to fight dengue fever, which infected a record number of people last week and has already killed eight people this year, as many as it claimed in all of 2004. Aedes mosquitos are the vector for the dengue virus. Photographer: Jonathan Drake/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

De middag loopt ten einde in de hangmat boven de veranda. Sinds een dag of wat betrek ik een primitief bamboehutje op Koh Pha Ngan, het Thaise feesteiland. Het uitzicht is spectaculair, de kosten verwaarloosbaar. Tropenziektes zijn wel het laatste waar ik me mee bezighoud.

De thermometer staat op 34 graden als eenzuchtje wind daar radicaal verandering in brengt. Zodra de wind mijn huid raakt begin ik te klappertanden, en ik zie mijn lichaam bibberen van kou. Ik voel mijn voorhoofd: koorts, en flinke ook. Malaria is het eerste wat bij me opkomt. Dat is namelijk de enige tropenziekte die ik ken. Later blijkt het te gaan om die andere muggenziekte.

Het denguevirus is de veroorzaker van dengue fever, ofwel knokkelkoorts. Die wordt verspreidt door muggenbeten. Plotselinge hoge koorts, hoofdpijn van achter de ogen, overgeven, gewrichtspijn en huiduitslag zijn de eerste ziekteverschijnselen. In de meeste gevallen blijft de malaise beperkt tot een griepje, maar het kan ook veel erger – tot de dood aan toe.

Vroeg in bed. De hoofdpijn zwelt aan en breidt zich uit van achter mijn ogen tot boven in mijn rug. De koorts put me volledig uit. Mijn toestand wordt passief, apathisch. Ik verga van de dorst, maar het idee om de fles water naast mijn bed aan mijn mond te zetten komt niet in me op. Gedachten en gevoelens doven uit, zintuigen slaan op hol. Ik tuur naar het plafond van mijn hutje alsof ik door closetrolletjes kijk. Alles krijgt een grijsgele waas over zich.

Het grootste risico bij knokkelkoorts is een verminderde aanmaak van bloedplaatjes. Hierdoor stolt het bloed minder snel. Haarvaten leggen dan al snel het loodje en veroorzaken een kenmerkende vuurrode huiduitslag. Ook ogen, neuzen, tandvlees en inwendige organen kunnen lek slaan, die laatste met levensbedreigende gevolgen.

Ik loop twee dagen rond met een nagenoeg compleet pakket aan denguesymptomen als ik in Bangkok een arts bezoek. Hij stelt echter de diag-nose dat het om een ontsteking aan mijn voet gaat. Vijf dagen antibiotica en alles is weer in orde, aldus de arts.

Een dag later lijk ik zowaar op te knappen. De uitslag heeft zich ondertussen over mijn hele lichaam verspreidt, maar de koorts zakt. Dezelfde dag nog boek ik een treinticket naar Chang Mai, Noord-Thailand.

Die 14-uur durende tocht wordt het dieptepunt. Halverwege word ik misselijk en overstijgt mijn lichaamstemperatuur alle eerdere pieken. In de snikhete coupé ga ik languit op de vloer liggen, op zoek naar verkoeling. Voor maximaal effect duw ik om beurten mijn wangen zo plat mogelijk tegen de metalen plint die langs het gangpad loopt.

Ik ben weer terug bij af en in Chang Mai bezoek ik een tweede arts, dokter Miyagi. Deze maakt een kundiger indruk. Hij laat mijn bloed testen in het laboratorium. Na een uur zijn de resultaten binnen: dengue. Het is voor het eerst dat ik van de ziekte hoor. „Is dat gevaarlijk?”.

Slechts een klein percentage van de knokkelkoortsgevallen komt te overlijden. Wel raken jaarlijks 50 tot 100 miljoen mensen besmet, wat zorgt voor een half miljoen ziekenhuisopnames en tussen de 12 en 25 duizend doden wereldwijd. Dit zijn met name kinderen in gebieden waar geen goede gezondheidszorg voorhanden is.

Als gevolg van het virus blijkt mijn lever ontstoken. Het advies is om zoveel mogelijk te rusten. Ik slaap dagen lang en sta alleen op om naar het ziekenhuis te gaan voor nieuwe bloedtests. Eten doe ik vrijwel niet – geen trek en alles smaakt naar kots.

Na drie dagen word ik wakker en kan ik nauwelijks meer zien. Lezen gaat niet, minimale schitteringen verblinden me volledig en er lijken witte vlokken voor mijn ogen te zweven. Alsof ik door een filter van bedorven melk kijk. De oogarts constateert bloedingen achter in mijn oogbollen die slecht herstellen als gevolg van het gebrek aan bloedplaatjes. Ik wordt opgenomen in het ziekenhuis.

Er wordt een arsenaal aan medicatie op me losgelaten. Steroïden, antibiotica, maagtabletten en paracetamol helpen mijn bloedwaardes en gezichtsvermogen weer op peil te trekken. Na drie dagen mag ik terug naar mijn hostel om daar verder te slapen. De ontstoken lever houdt me nog twee weken op bed.

Twintig dagen na de eerste koortsaanval knap ik op, volledig en bijna net zo plotseling als ik ziek werd. Na een laatste check in het ziekenhuis word ik officieel genezen verklaard.

Doordrenkt met antimuggendeet verlaat ik Chang Mai.