Aandacht voor ambitie kan geen kwaad

Als je maar gelukkig bent, zegt de Nederlandse ouder tegen zijn kind. Is dat wel een juist streven?

‘Wat wil je worden?” Toegegeven, de vraag is wat aan de vroege kant voor een kind van drie, maar ik kan het niet laten. „Een groot mens. En ik wil kindjes. En ik wil vliegen. Met vleugels.”

Terwijl ik er zelf nog steeds niet helemaal over uit ben wat ik later wil worden, moet ik een kind klaarstomen voor de grotemensenwereld. Dan is het Nederlandse mantra ‘Als het maar gelukkig is’ een uitkomst. We overgieten haar met liefde, zullen zo goed mogelijk naar haar luisteren en helpen waar nodig.

Verder proberen we haar tot haar achttiende uit de buurt te houden van alcohol, drugs en foute jongens en zullen we haar omringen met dat waarvan wij vinden dat het het leven de moeite waard maakt: boeken, muziek, een warm en fijnmazig sociaal netwerk. Natuurlijk bezoeken we iedere open dag die er is. Zullen we meepuzzelen bij wiskundige vergelijkingen en lessen genetica. Maar bij haar keuzes zullen we ons laten leiden door haar wensen en hopen dat ze via de grillige weg van viool naar airbrush, taekwondo en ballet uiteindelijk haar bestemming vindt.

Het is geen onaardig streven: gelukkig zijn. Maar als doel is het vrij waardeloos. Geluk is, zo beweren oude wijsgeren en moderne gelukspsychologen, een gevoel dat samenhangt met bevredigende sociale relaties en bezigheden die je als zinvol beschouwt. De druk om gelukkig te worden kan verlammend werken.

Bovendien is het de vraag of we ons die focus op geluk nog wel kunnen permitteren in dit tijdperk van economische neergang. De vorige generatie werd groot in een wereld waarin zaken als een vaste aanstelling, pensioenopbouw en overwaarde op een huis vanzelfsprekend waren. Nu staan banen op de tocht, werken zzp’ers zich een slag in de rondte om voldoende opdrachten binnen te halen en moet je met lotgenoten vechten om een vacature. Het zesje dat een acht had kunnen zijn, ziet die mooie baan aan zijn neus voorbijgaan en dat betekent dat het belangrijk is om het beste uit jezelf te halen.

Deze gedachtegang verklaart de belangstelling voor het boek Strijdlied van een tijgermoeder van de Chinees-Amerikaanse Amy Chua. Uit een onderzoek van het tijdschrift J/M bleek dat Chua de meest geciteerde opvoedkundige in 2011 was. Ook in het onlangs verschenen boek Over de top van Yvonne van Sark en Huub Nelis van communicatiebureau YoungWorks wordt een pleidooi gehouden voor het kweken van excellentie. Ze stellen de vraag of die ‘als-ze-maar-gelukkig-zijn-houding’ nog wel houdbaar is. „Krijgen we straks te maken met de wet van de remmende voorsprong?” vragen ze zich af.

Een beetje meer tijgeren voor het opgroeiende kind lijkt dus het devies. Klopt dat? Niet helemaal, aldus Wilma Vollebergh, hoogleraar Jeugdstudies aan de Universiteit Utrecht, die wordt geciteerd op de website Ouders Online. De Nederlandse opvoedcultuur, waarin de nadruk ligt op flexibiliteit, sociaal-emotionele intelligentie en de band tussen ouder en kind, blijkt namelijk goed te werken. Zijn ouders niet streng genoeg, dan worden er maatregelen genomen. Bijvoorbeeld alcohol: het gebruik vermindert snel onder jonge kinderen. Tweede argument van Vollebergh is dat competitie al ruimschoots wordt gestimuleerd door middel van zogenaamde ‘honours-klassen’ voor excellente studenten en aparte basisschoolklasjes voor hoogbegaafde kinderen. Aandacht voor ambitie kan geen kwaad, maar stimuleer het en sla het er niet in, is haar advies.

Hoe doe je zoiets? Een van de belangrijkste dingen die je je kind kunt leren is de nadruk op talent te relativeren, zo valt te lezen in Over de top. Dit betekent dat je ze leert dat er geen sprake is van een vaststaand talent, maar dat iedereen het vermogen heeft zich te ontwikkelen. Falen wordt in een ander licht gezien: het is een kans om te leren en geen teken van onvermogen.

En er is nog iets. In Over de top staat een aantal gesprekken met jongeren over de betekenis van excelleren. Daaruit blijkt dat veel jongeren een nogal ambivalente relatie hebben met hun talent. Een meisje dat een honoursvak volgt: „Ik merk dat ik liever niet veel vertel. Ik heb dan het idee dat ze vinden dat ik me uitsloof.” Iemand die uitblinkt wordt al snel gezien als een streber.

Een mogelijke reden voor deze aversie tegen ambitie is dat iemand die hard werkt, blijk geeft van het vermoeden ergens goed in te zijn. Of te kunnen worden. Hij heeft het lef te denken dat hij iemand is. En als je kijkt naar de manier waarop de uitblinker wordt verbeeld in films, dan lijkt de algemene opvatting dat het om psychisch gemankeerde mensen gaat. In films als Million Dollar Baby of The Fighter wordt het fanatisme van de talentvolle vechter gevoed door iets pijnlijks: een zware jeugd, armoede. Ook de bolleboos in Good Will Hunting wordt geplaagd door een onplezierige herinnering uit zijn kindertijd. De geniale hoofdpersoon in A Beautiful Mind is schizofreen.

Misschien wel het bekendste personage uit de filmgeschiedenis dat zichzelf keer op keer overstijgt is Forrest Gump: een jongen met een laag IQ die vreselijk hard blijkt te kunnen rennen en zo met een football-beurs naar de universiteit kan. In de oorlog verricht hij de ene heldendaad na de andere. Later blijkt hij een ster in tafeltennis te zijn en speelt hij toernooien op het hoogste niveau. Zijn volledige gebrek aan gêne en ongevoeligheid voor groepsdruk zorgen ervoor dat hij kommerloos van het ene succes in het andere rolt. Niet dat hij het als succes ervaart overigens, ook eerzucht is hem volkomen vreemd.

Zijn intelligentere jeugdvriendin en grote liefde Jenny mist die gevoeligheid voor haar sociale en historische context niet: ze gaat een tijd als hippie door het leven om vervolgens hoog op de rand van een balkon te balanceren. Uiteindelijk sterft ze aan aids. Forrest heeft een fortuin vergaard waarvan hij zijn zoon Forrest junior, slimste jongetje van de klas, kan onderhouden. Zijn genen zijn succesvol overgeleverd.

Voor een deel heeft deze voorstelling van zaken te maken met de romantische notie van het zonderlinge genie of het dubbeltje dat zichzelf een weg richting kwartje vecht. Maar het toont nog iets: dat er een drijvende kracht nodig is die ervoor zorgt dat iemand bereid is zich te onderscheiden en bloed, zweet en tranen te offeren. Dat kan wraaklust zijn, een monomane liefde voor wiskunde of voor een jeugdliefde.

Bij Forrest Gump is de drijvende kracht bij de ontdekking van zijn eerste talent een mengeling van angst en liefde: de eerste keer dat hij zo hard rent is wanneer hij achterna gezeten wordt door jongens die hem pesten met de beugels om zijn benen. Al rennend schieten de beugels los terwijl Jenny hem toeschreeuwt zo hard te lopen als hij kan: „Run, Forrest, run!”

Dat is misschien wel het belangrijkste wat een ouder kan doen: een kind leren moeilijke en pijnlijke fases met open vizier tegemoet te treden en te beschouwen als een motor in plaats van een rem. Dan moet die ouder wel kunnen verdragen dat het kind niet altijd gelukkig en tevreden is. En dat is geen geringe opgave.