‘Zelf maak ik alleen kiekjes’

Foam-directeur Marloes Krijnen geeft Amsterdam een eigen fotobeurs. Bij een kopje tuinerwtensoep vertelt ze over jong talent, toeval en bijgeloof.

Foam-directeur Marloes Krijnen, rechts de broche die ze erfde van haar grootmoeder.

Parijs heeft elk jaar een fotobeurs. New York ook. Marloes Krijnen, directeur van het Amsterdams Fotomuseum Foam, wilde dat ook in Amsterdam. Over anderhalve week, op 19 september, begint in de Westergasfabriek ‘Unseen’. Zes dagen lang zullen vijftig galeries uit binnen- en buitenland werk exposeren van jonge, nog onbekende fotografen. Het voelt als ‘haar’ beurs, en ze zegt dat ze er ’s nachts weleens van wakker schrikt of er echt wel aan alles is gedacht.

Maandagmiddag, het Foam-café aan de Keizersgracht. Houten balken aan het plafond, biologisch belegde broodjes op de kaart, kleine zwarte tafeltjes. Daar is Marloes Krijnen (57). Zwart jasje, zwarte broek, gebroken witte blouse. Haar zakelijke verpakking contrasteert met bleke huid met sproetjes, haar rossige haar, haar parelwitte tanden. Ze bestelt nog voor we zitten kordaat een soep van de dag. „Jij ook?”. En het broodje van de dag. „Zullen we dat delen?”

Aan haar is niet te merken dat ze misschien eigenlijk geen tijd heeft voor een lange lunch. Niets lijkt belangrijker dan wat ze nu aan het doen is, met mij aan een tafeltje tuinerwtensoep eten. Ze laat op een plattegrond zien waar de stands komen, waar de muziek is, de film, de tentoonstellingen. De beurs krijgt, zegt ze, een festival-achtige sfeer. Ze lacht. In het Engels klinkt het leuker. „A fair with a festival flair.”

In het begeleidende krantje van de beurs schrijft ze dat fotografie „overal” is. In boeken, tijdschriften, op internet en op straat. Ik vul aan: en er is een foto-instituut in Rotterdam, een museum in Amsterdam, er zijn al heel wat fotobeurzen en festivals. Is er wel ruimte voor nog een beurs? Natuurlijk zegt ze ja. „Op veel beurzen zie je wat je al kende.” Zij ziet een gat: het werk van jong talent. Ongeziene foto’s, unseen. „Galeriehouders zijn blij dat ze nu eens de kans hebben onbekend werk te laten zien. Meestal is de huur van een beursstand zo hoog, dat ze wel moeten kiezen voor veilig werk.”

Foam heeft vanaf de oprichting, in 2001, werk gemaakt van jonge fotografen. Door elk jaar gelimiteerde edities van nog onbekend werk te verkopen. Door van het Foam Magazine een talent-issue te maken, met daarin opkomende fotografen. Tegelijkertijd zorgt Foam ervoor dat er een afzetmarkt is voor fotowerk. Potentiële kopers krijgen verzamelcursussen. Investeerders in het Foam-fund – tachtig particulieren storten jaarlijks minimaal tweeduizend euro – krijgen als ‘return on investment’ – een werk van een jonge fotograaf. „Misschien wel de nieuwe Rineke Dijkstra.”

Marloes Krijnen is niet bekend, maar er zijn veel mensen die haar kennen, ook in het buitenland. Gewoon omdat ze al meer dan dertig jaar werkt, op steeds andere plekken, meestal als directeur en bijna altijd in Amsterdam, de stad waar ze is geboren. „In het OLVG-ziekenhuis. Mijn man is er ook geboren, onze zoon, onze dochter. Daar ligt de start van ons leven.” Ze is geen strateeg, en ook geen planner. Vaak kwam ze ergens per ongeluk of bij toeval.

Per ongeluk: haar eerste baan, op haar vijfentwintigste. „Ik studeerde nog politicologie. Het was eind 1980, veel jonge mensen kwamen moeilijk aan het werk. Ik dacht: ik moet leren solliciteren.” Ze schreef een brief op de eerste advertentie in de krant die haar wel wat leek. Een plek op de afdeling internationale zaken bij het ministerie van Milieu. „Ik mocht meteen op gesprek komen. Mijn ouders zeiden nog: ‘Je wordt toch geen ambtenaar?’” Dat werd ze wel. En ze vond het nog leuk ook. Ze reisde veel, ging op werkbezoek bij buitenlandse ministeries en de Verenigde Naties.

Bij toeval werd ze directeur van World Press Photo, in 1989. Kort gezegd, ze zag een stapel World Press-catalogi op het bureau van een KLM-directeur liggen. Zij zei dat ze het zo’n geweldige organisatie vond en hij zei dat er een directeur werd gezocht. Toen heeft ze Jaap gebeld, haar man, met wie ze is vanaf haar zestiende. Ze zaten samen op de middelbare school in Badhoevedorp. „We hadden net afgesproken dat we het wat rustiger aan zouden doen.” Ze is even stil, alsof ze aan het bedenken is waarom ze dat toen ook alweer hadden afgesproken. „Philip, onze zoon, was net geboren. Ik was net weer aan het werk. Jaap had een nieuwe baan. Ik zei hem dat bij World Press alles wat me interesseerde zou samenkomen: het internationale, mijn studie massacommunicatie en fotografie als massamedium.” Ze lijkt, zegt ze, wat dat betreft op haar vader. Hij was directeur van de bloedtransfusiedienst. „Hij was opgeleid als biochemicus, maar wilde ook graag regelen en organiseren.”

Dus ja, na al die jaren werken zijn er nogal wat mensen die haar kennen. Maar ze is geen vrouw die zich laat kennen. Heel af en toe laat ze een glimp zien van haar leven. Kleine inkijkjes die een groot geluk tonen. Zoals wanneer ze vertelt over het stukje land dat Jaap in een opwelling kocht in de Périgord in Frankrijk. Ze waren allebei begin twintig. Op zijn verjaardag kreeg hij van een vriend die architect is een tekening van een huis. „Jaap bekeek het en zei: dat ziet er niet moeilijk uit.” Ze is het samen met hem gaan bouwen. „Daarom heeft mijn studie wat langer geduurd.” Ik vraag of ze zo handig is. Dat niet. „Ik was van het regelen en organiseren.”

Winkel

Wie oplet, hoort haar steeds dezelfde woorden zeggen. Samen. Bouwen. Organiseren. Dus als er tijdelijk een winkelpand vrij is aan het Museumplein in Amsterdam, begint ze daar een pop-upstore. „Onder het mom van: Foam nu ook aan het Museumplein. En wij zijn wel open.” In de Vijzelstraat is nog een winkel, die &Foam heet. Samen met de Rietveld Academie werd dat Fashion&Foam, met het Italiaanse Fabrica heette het Design&Foam en tijdens het documentairefestival eind dit jaar wordt het Film&Foam. Voorzichtig vraag ik hoe de samenwerking is met dat andere grote foto-instituut, het Nederlands Fotomuseum, dat tot verdriet van velen niet in Amsterdam, maar in Rotterdam gevestigd werd. Mocht er iemand nog pijn voelen door dat besluit, dan plakt zij er een grote pleister op: „We gaan volgend jaar samen een fotoweek organiseren, in de laatste week van september. Een soort boekenweek, maar dan voor foto’s.” En samen zullen ze tegen die tijd een fotograaf des vaderlands kiezen.

Wat ze ook van haar vader heeft, zegt ze: het zakelijke. Zal ook wel moeten. Foams budget bestaat voor 15 procent uit geld van de gemeente Amsterdam, de rest moet zelf worden verdiend. Er zijn Foam-vrienden, een Foam-Fund en sponsors. En af en toe een mazzeltje. Het gloednieuwe Blockbusterfonds van (onder andere) de Bankgiroloterij en Joop van den Ende koos haar fotobeurs Unseen uit als een van de drie ‘internationele culturele projecten’ die ze dit jaar willen ondersteunen. Nu is het budget twee miljoen euro. En ze had er niet eens om gevraagd.

Inmiddels zullen de fotoconservatoren, museumdirecteuren en fotografen die tien jaar geleden hoopten dat zijzelf de directeur zouden worden van het nieuwe Foam, vrede hebben met de keuze voor haar. Ze is de eerste om te erkennen dat ze niet geleerd heeft voor fotografie. Ze is geen expert. „Ik maak zelf alleen familiekiekjes.” Maar ze werkt al wel 23 jaar in de wereld van de fotografie en ze durft te zeggen dat ze er verstand van heeft gekregen. „Toen ik hier begon, wist ik dat het een museum voor alle soorten fotografie moest worden.” Documentaire fotografie én kunstzinnige, modefoto’s én persfotografie. „Je moet wel kiezen, werd er tegen me gezegd. Maar dit was mijn keuze.”

En dus is er in Foam nooit één tentoonstelling, maar altijd drie of vier tegelijk. Voor iedereen wat. Reclameman Erik Kessels heeft een zaal ingericht met zijn verzameling familiealbums, er hangt werk van Alex Prager, een Amerikaanse fotografe die net de Paul Huf-award heeft gewonnen, vernoemd naar een van de oprichters van Foam. De tentoonstelling van Ron Galella is net afgelopen. Hij was de eerste, echte paparazzofotograaf die met zijn camera joeg op Jackie Kennedy, Mick Jagger en Brigitte Bardot. Toen riooljournalistiek, nu als kunst aan de museummuur. „Zo ging het ook met de foto’s van Henri Cartier-Bresson.” De Franse oprichter van Magnum in de jaren vijftig. „Nu vinden we dat kunst. Maar zo zijn ze niet bedoeld. Cartier-Bresson drukte zijn foto’s zelfs niet af. Ze waren voor in de krant. Het was journalistiek werk.”

Ik zie dat het bijna twee uur is en ik weet dat ze weg moet. Zij vraagt of ik nog koffie wil. Haar iPhone rinkelt, maar ze neemt niet op. Ze herinnert zich de eerste keer dat ze een telefoon zag waarmee je foto’s kunt maken. „Zo iets ongelooflijks.” Ze wijst naar de etage boven het café. De expositie van de familiefoto’s die Erik Kessels verzamelt. „Daar zie je hoe fotografie verandert. De tijd van foto’s inplakken is voorbij. Straks heeft niemand meer zo’n boek vol herinneringen dat je meeneemt als je huis in brand staat.”

Bijgelovig

Haar oorbellen kreeg ze van vrienden toen ze vijftig werd. Haar ring was een cadeau van haar man toen hun zoon werd geboren. De broche was van haar grootmoeder. Ze is van de zomer het speldje verloren dat haar dochter Katrien voor haar kocht van haar eerste salaris, bij mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch. „Afgelopen vrijdag studeerde ze af. Ze zei: mama, het is nu niet erg meer dat je het kwijt bent, want ik ben klaar.” Marloes Krijnen zegt ineens iets wat ik maar moeilijk kan geloven. „Ik ben extreem bijgelovig. Dit zijn de dingen die ik altijd bij me moet dragen.” En dan sluit ze haar oesterschelp weer.

    • Rinskje Koelewijn