Wonderkind en Europoliet

Homerus, de femme fatale, het Bauhaus. Europa is meer dan de discussie over De schaking van Europa op de nieuwe eurobiljetten. In een serie over de cultuur die het continent bindt: Mozart.

Europese coproducties in de kunsten hebben tegenwoordig een slechte naam; de bemoeienis van verschillende nationaliteiten bij een film of een theaterstuk leidt maar al te vaak tot een non-descripte mengelmoes die smalend wordt aangeduid als europudding. Hoe anders was dat een paar honderd jaar geleden – bijvoorbeeld in het Praag van de Habsburgers, waar op 29 oktober 1787 Don Giovanni in première ging. De muziek van het ‘dramma giocosa in due atti’ was geschreven door de Duitstalige Oostenrijker Wolfgang Amadeus Mozart en het libretto door de Italiaan Lorenzo da Ponte; terwijl het verhaal over de hellevaart van een aartsverleider in de zeventiende eeuw was ontwikkeld door de Spaanse toneelschrijver Tirso de Molina en beroemd gemaakt door de Fransman Molière. En zoals het geen liefhebber van de achttiende-eeuwse opera zal verwonderen dat de belangrijkste zangers Italiaans waren, zo zal het ook geen kenner van leven en werk van Mozart verbazen dat in zijn meesterlijke opera buffa tal van Europese invloeden zijn terug te vinden.

Want Mozart (1756-1791) was gepokt en gemazeld als Europoliet. Het wonderkind uit Salzburg, dat op zijn vierde klavier speelde en op zijn vijfde zijn eerste composities schreef, werd als jongen door zijn vader langs de vorstenhoven van onder meer Parijs, Londen en Den Haag gesleept. Tussen zijn zeventiende en zijn twintigste werkte hij in Salzburg, Parijs, Mannheim en München, waarna hij zijn uitvalsbasis verlegde naar Wenen, dat niet ver gelegen was van Praag en de belangrijkste Duitse steden. Nog interessanter waren de leermeesters en bewonderde collega’s die Mozart in alle hoeken van Europa vond; in persoon, zoals Johann Christian Bach te Londen en Joseph Haydn te Wenen, of in geschrifte, zoals de Duitse barokcomponisten en de groten van de Napolitaanse opera en de Franse opéra comique.

Mozart had het vermogen om alle stijlen in zich op te nemen en er iets nieuws mee te doen. In sommige werken – bijvoorbeeld de opera Die Zauberflöte uit 1791 – liep hij vooruit op de romantiek, in zijn strijkkwartetten ontwikkelde hij de door Haydn uitgewerkte gelijkwaardigheid van de instrumenten, in zijn pianoconcerten liet hij het solo-instrument duelleren met het orkest. Hij ging terug naar het contrapunt van de late Barok en experimenteerde met de chromatische harmonie die pas een dikke eeuw later tot wasdom zou komen. En bij dat alles produceerde hij de best in het gehoor liggende melodieën uit de muziekgeschiedenis, zoals het allegro uit Eine kleine Nachtmuziek, de ouverture van Le nozze di Figaro, het duet ‘Là ci darem la mano’ uit Don Giovanni, het adagio uit het klarinetconcert in A-majeur, tal van aria’s uit Die Zauberflöte en – een andere toon aanslaand – bijna alles uit het requiem waaraan hij werkte tot hij aan een geheimzinnige ziekte overleed.

Hij was de Paul McCartney van zijn tijd, hoewel de mythe meer een John Lennon van hem heeft gemaakt: rebels, radical chic en jonggestorven.

Geen wonder dat Mozart werd verafgood door de componisten die na hem kwamen. Zijn leerling Johann Nepomuk Hummel bouwde verder aan de brug tussen classicisme en romantiek. Beethoven kwam vergeefs naar Wenen om bij hem te studeren en sublimeerde zijn frustratie door het schrijven van vier sets met variaties op bekende Mozart-thema’s. Tsjaikovski zette de honderdste verjaardag van Don Giovanni luister bij met zijn orkestsuite Mozartiana, en Chopin, Liszt en Glinka konden niet van de aria’s uit Don Giovanni afblijven. Het is dan ook de opera der opera’s, vol met dramatische scènes en immer groene melodieën die zelfs de grootste operahater over de streep trekken; een muzikale thriller – eindigend met een levend standbeeld dat de titelheld naar de hel sleept – die terecht een ereplaats kreeg in de film die de Tsjechische regisseur Milos Forman in 1984 maakte van het toneelstuk Amadeus van Peter Schaffer.

Die film, met in de hoofdrollen Tom Hulce als Mozart en F. Murray Abraham als zijn tegenstrever, heeft voor een hele generatie het beeld van Mozart als een vuilbekkend en giechelend genie uit de pruikentijd bepaald. En dat niet alleen: hij gaf ook nieuwe voeding aan de romantische mythes die het leven van Mozart omgeven (en die een jaar na de première van de film nog eens wijd werden verspreid door de Oostenrijkse popartiest Falco en zijn monsterhit Rock Me Amadeus). Zijn onaangepastheid en zijn onbeschaamde zelfverzekerdheid (keizer: ‘Te veel noten, haal er een paar uit en het is perfect’; componist: ‘En welke noten had uwe majesteit in gedachten?’). Zijn liefde voor uitzinnige uitdossingen die zulke verschillende figuren als Elton John en Geert Wilders zou beïnvloeden. Zijn lust for life en voorliefde voor volks vermaak (lees: onderbroekenlol). En niet te vergeten zijn tragische dood, als een workaholic zwoegend op zijn ongeëvenaarde Requiem.

Zo werd Mozart zelf een operaheld, een faustiaanse figuur die zijn talent betaalde met zijn ziel. Zeshonderd werken componeerde hij in de 35 jaar die hem gegeven waren, en op een enkeling na hebben ze eeuwigheidswaarde (componist: ‘En welke had de criticus in gedachten?’). Zeshonderd werken, waaronder het pianoconcert nr. 21 in c-klein, het vijfde vioolconcert, de Jupitersymfonie, het klarinetconcert, Così fan tutte, de ‘Sonata facile’, de ‘Gran Partita’. En dat allemaal voor één ziel. Een koopje, zou je bijna zeggen.

PIETER STEINZ