Kiezer wordt minder honkvast

Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is de beweeglijkheid onder kiezers – de ‘volatiliteit’ – aanzienlijk toegenomen. Daarnaast eisen nieuwe politieke partijen direct hun plek op met grote zetelaantallen. Desondanks is de verhouding in de Tweede Kamer tussen linkse en rechtse partijen door de jaren heen globaal genomen gelijk gebleven. Markante momenten uit de verkiezingsgeschiedenis:

1967: D66 behaalt met het streven naar politieke vernieuwing en een moderne campagne in één keer zeven zetels. Er wordt gesproken van een ‘politieke aardverschuiving’.

1971: Weer een record: DS’70 – voortkomend uit een rechtse afsplitsing van de PvdA – krijgt acht zetels.

1977: PvdA gaat onder leiding van Den Uyl van 43 naar 53 zetels. Niet eerder won een partij zoveel zetels.

1986: Het CDA van partijleider Ruud Lubbers groeit met negen zetels, van 45 naar 54. Dat aantal markeert het einde van een in 1963 ingezette neergang van de christen-democraten.

1994: Het CDA krimpt: van 54 naar 34 zetels. Niet eerder verloor een partij zoveel zetels bij één verkiezing.

2002: De Lijst Pim Fortuyn stormt met 26 zetels de Tweede Kamer binnen. De PvdA is de nieuwe recordverliezer: min 22 zetels.

2003: Bij de PvdA wordt het verlies van 2002 met een winst van 21 zetels nagenoeg tenietgedaan.

2006: De SP wint 16 zetels en bezet daarmee 25 plaatsen in de Kamer. De PvdA verliest 11 zetels.

2010: Het CDA komt op een dieptepunt, met een verlies van 41 naar 21 zetels. De PVV maakt een sprong met 15 zetels naar 24 zetels.