Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Boeken

Ontsnappen zoals alleen Montecristo kon

Carlos Ruiz Zafón: De gevangene van de hemel. Vert. Nelleke Geel. Signatuur, 318 blz. € 19,95 **

Een ongehoord kassucces was die vuistdikke roman De schaduw van de wind van de tot op dat moment volstrekt onbekende Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón. Inmiddels is die sensatie misschien alweer overtroffen door die van de ‘Stijfkopje gaat SM’-bestseller Vijftig tinten grijs van E.L. James. Maar Zafón had zijn succes verdiend. Hij liet althans zien te kunnen schrijven, al was het dan in de stijl van het 19de-eeuwse cloak-and-dagger feuilleton, in plaats van de lezer onder te dompelen in een tuttigheid die allengs een échte kwelling wordt.

Maar ook Zafóns verdienste had zijn weerslag. Toen in 2008 het tweede deel verscheen van wat uiteindelijk een tetralogie moest worden, bleek Het spel van de engel stuurloos uit de bocht gevlogen. De Faust-achtige bovennatuurlijkheid die de morbide geheimzinnigheid van De schaduw van de wind had afgewisseld verloor al snel haar overtuigingskracht.

Dat spoor heeft Zafón in het nu verschenen derde deel van de reeks terecht verlaten. Diaboliek is er in De gevangene van de hemel nog altijd volop, maar ze heeft opnieuw de aardse gestalte van sadistische politie-ondervragers en gevangenisdirecteuren. En in plaats van in de jaren twintig speelt het boek zich opnieuw af in de jaren vijftig, met deels dezelfde personages als uit De schaduw van de wind.

Op de eerste bladzijden daarvan werd boekhandelaarszoon Daniel Sempere ingewijd in het geheim van het beroemd geworden ‘Kerkhof der Vergeten Boeken’, dat ook nu weer een (bescheiden) rol speelt. Centraal staat echter de huiveringwekkende geschiedenis van Fermín Romero de Torres, de wereldwijze en literair doorknede duvelstoejager die door Daniel in het eerste deel van de straat werd geplukt. In lange flashbacks naar de vroege jaren veertig horen we hoe Fermín lange tijd opgesloten zat in de beruchtste gevangenis van Barcelona en daaruit ontsnapte op een manier die herinnert aan Dumas’ De graaf van Montecristo.

Veel literair vernuft hoeft de lezer daarbij niet aan de dag te leggen, want Zafón legt de literaire spelletjes waarmee ook deze roman weer vol zit steeds keurig uit. Een deel van Zafóns succes is waarschijnlijk te danken aan deze intertekstualiteit voor een breed publiek, waarbij elke lezer zich al snel een literair connaisseur gaat voelen. Dat is slim, maar bezwaar kun je er moeilijk tegen hebben. Liefde voor boeken is niet alleen een belangrijk onderdeel van Zafóns vertelling, de lezer wordt er ook merkbaar door gekieteld, en dat is mooi.

Problematischer is dat Zafón dit derde deel, aanzienlijk korter dan de voorafgaande, uiteindelijk niet goed heeft rond gekregen. Was hij in Het spel van de engel al in zijn eigen stof verdwaald, nu schort het aan coherentie in het plot.

Dat is des te pijnlijker omdat nu niet langer de mystery-story of het spookverhaal maar de detective als model lijkt te hebben gediend. Juist een zorgvuldig ontvouwde, sluitende intrige is dan van levensbelang. De gevangene van de hemel laat de lezer echter achter met talloze losse eindjes. Mooie en spannende passages heeft de roman zeker, en de boekensfeer waarin hij gedrenkt is, blijft een genot. Maar zo bevredigend als De schaduw van de wind is ook dit deel bij lange na niet geworden.